Archief blog klinische ontwikkelingspsychologie

Die eerste keer onwennig naar buiten met mondmasker: "Het is zoals watervrees, overwin je schroom en oefen"


Klik hier om het volledige artikel te lezen

auteur: Leentje Vervoort
 

We zijn het niet gewoon om hele dagen samen met ons gezin door te brengen. Op verlofdagen gebeurt dat wel eens, maar vaak plannen we die vrije momenten dan vol met allerlei activiteiten en leuke dingen. Nu is de situatie helemaal anders. Ouders die thuis zijn, maar wel tele-werken, kinderen die hun schoolwerk moeten opvolgen, dagelijkse routines die wegvallen, verveling, … En voor deze situatie hebben we zelf niet gekozen, we hebben er weinig aan te zeggen. Niet evident om daarmee om te gaan. Spanningen tussen gezinsleden zijn dan ook onvermijdelijk, maar we kunnen wel proberen om die te beperken. Enkele tips:

·         Organiseer in de komende dagen een gezinsgesprek over hoe jullie deze uitdaging samen gaan aanpakken. Bespreek met elkaar wat jullie als de grootste moeilijkheden zien en wat de zaken lastig kan maken. Kijk naar en benoem elkaars sterke punten: op welke eigenschappen en talenten van je gezinsleden kunnen jullie rekenen om de boel te doen draaien. Praat in dit gesprek over feiten en concrete afspraken (leg die misschien vast in een ‘gezinscontract’), maar praat zeker ook over gevoelens. Luister echt naar elkaar en toon medeleven voor elkaars gevoelens en ervaringen. Jullie hoeven zeker niet elke dag een gezinsvergadering te beleggen, maar plan wel regelmatig een gesprek met z’n allen in om te evalueren hoe het gaat. Pas zo nodig afspraken aan, en wees trots en dankbaar voor de dingen die wel goed gaan.

·         Je merkt het misschien al als je met vakantie bent: na een paar dagen (of soms zelfs een paar uur) kan het samenzijn te veel worden, en moet je er eens uit. De huidige maatregelen laten toe om buiten te gaan, dus ga af en toe een luchtje scheppen: preventief of als het nodig is. Geef elkaar ook binnen de ruimte en respecteer elkaars privacy. Gun elkaar een eigen plekje, eventueel een eigen kamer. Als dat niet haalbaar is, probeer dan minstens een paar zones af te bakenen: een speelruimte met speelgoed, een rustige zetel om te chillen, de badkamer om even te relaxen, een werktafel om aan te werken, …

·         Het helpt om structuur in je dagen te brengen. Dat hoeft geen heel strikte dagplanning van minuut tot minuut te zijn waar niet van afgeweken kan worden, maar structuur zorgt voor routine, en routine helpt om psychisch gezond te blijven. Je hoeft niet even vroeg op te staan als wanneer je je naar je werk of naar school moet haasten, maar zoek toch een ritme in je dag, met vaste ankerpunten (waaronder 3 maaltijden per dag, persoonlijke hygiëne, zelfzorg en ontspanning, ‘werk’ voor school of voor je job, klusjes in huis, slaap). Je kan zeker een to do lijst maken om je te helpen wanneer je niet weet wat doen, maar maak zeker ook ‘have done’ lijstjes. Op een ‘have done’ list noteer je wat je hebt gedaan. Zo kan je duidelijk zien wat je verwezenlijkt hebt, wat je een beter gevoel kan geven dan alleen maar zien wat je allemaal nog moet gaan doen. Je kan op je ‘have done’ list ook noteren hoe je je voelde toen je deed wat je deed. Zo kan je mooi opvolgen hoe je bezigheden je gevoelens en je stemming beïnvloeden. Je ‘have done’ list kan je zeker ook bovenhalen bij je gezinsgesprekken.

·         Ontspanning kan van alles zijn, zelfs ‘schermtijd’. Computergames, series binge watchen, documentaires kijken … het kan en het mag. Jezelf of je gezinsleden wat meer schermtijd gunnen in deze periode, hoeft niet problematisch te zijn. Spreek wel af hoeveel tijd je per dag voor een scherm wil zitten, en zorg ervoor dat je ook nog andere activiteiten hebt om te ontspannen. Hier vind je enkele suggesties. Zoek ook dingen die je als gezin samen kan doen om je te ontspannen: filmavond, samen koken, knutselen, boeken voorlezen, quizzen, gezelschapspelen, samen zingen, een aflevering van ‘My family has talent’ maken (je kan het filmen en doorsturen naar familie en vrienden, of live streamen met een jury aan de andere kant van de lijn), samen een verhaal maken (iemand begint met de openingszin, en iedereen vult één voor één een zin aan tot het verhaal af is), …

·         Naast meer tijd met je gezin, heb je nu ook meer tijd met jezelf. Het kan dan ook het uitgelezen moment zijn om iets nieuws te leren. Nieuwe dingen leren is goed voor je mentale welzijn. Het zorgt dat je een doel hebt waarnaar je kan toewerken, en helpt je dus om activiteiten in te plannen, nieuwe activiteiten die net iets spannender en interessanter zijn dan je gewoonlijke dagdagelijkse bezigheden. En, ook al lukt het vast niet van de eerste keer, wanneer je iets nieuws geleerd hebt, is dat goed voor je zelfvertrouwen. Het internet helpt met online muzieklessen, online taallessen, online tekenlessen, kookprogramma’s, …. Sommige van die websites organiseren ook ‘online klassen’, zodat je in contact kan komen met anderen.

·         Blijf bewegen. Bewegen is nodig voor je lichamelijke gezondheid, maar ook je psychische gezondheid. Het is een manier om met frustratie en spanning om te gaan en verveling tegen te gaan. Zeker voor kinderen is het belangrijk om in beweging te blijven en zich ‘af te reageren’. Beweging maakt stoffen (endorfines) vrij in je hersenen, die je een positieve invloed hebben op je lichaam en op je stemming. Bewegen kan je ook helpen om je goed te voelen over jezelf en trots te zijn wanneer je gestelde doelen bereikt. Neem hier kleine stapjes. Je moet niet morgen een marathon kunnen lopen: een wandelingetje rond de blok doet ook al wonderen. Je moet niet de Mont-Ventoux fluitend oprijden: een kwartiertje op een hometrainer is ook goed. Eén yoga sequentie per dag doet ook al deugd. Je mag ook buiten sporten (alleen of met z’n twee). Als je dat doet, sla je 2 vliegen in 1 klap. Je beweegt, en je bent buiten. Buiten komen zorgt ervoor dat je frisse lucht binnen krijgt, en (als het weer meezit) zonnestralen kan meepikken.

De omstandigheden dwingen ons nu massaal en met z’n allen om op de rem te gaan staan, en het rustiger aan te doen. Laat ons, wanneer het ‘normale’ leven weer z’n ‘normale gangetje’ gaat, meenemen wat we nu meemaken en kijken wat we uit deze periode hebben geleerd, en kijken of we een evenwichtigere balans kunnen vinden…
auteur: Leentje Vervoort


De aanbevelingen zijn duidelijk: Blijf in uw kot! Social Distancing! Blijf thuis! Vermijd contact … Om de verspreiding van het Corona virus tegen te gaan, is dit hoogstnoodzakelijk. Door thuis te blijven, zorgen we het best voor onszelf en de mensen rondom ons.


Maar … we moeten niet alleen voor onze lichamelijke gezondheid zorgen, maar ook voor onze psychisch welzijn. En dat vergt in tijden van isolatie wat extra aandacht. Dat onze dagelijkse ratrace noodgedwongen stilvalt, kan voor een welgekomen rustperiode zorgen. Toch kan het wegvallen van dagelijkse routine en structuur ook heel wat aanpassing vragen, en een hele uitdaging zijn. De onzekerheid van wat nog zal komen, kan zondermeer stresserend zijn. Heel erg belangrijk dus, om ook nu goed voor jezelf te zorgen.

Om je hierbij wat te inspireren, enkele tips voor “Zelfzorg in tijden van Corona”.



1.      Kies 4 activiteiten die je voor de volgende maand wil inpassen in je wekelijkse routine. Dat kunnen bezigheden zijn die te maken hebben met ‘fysiek actief zijn’, ‘sociaal contact’, ‘creativiteit’, ‘persoonlijke ontwikkeling’, ‘mindfulness’, ‘gezond eten’,…

·         Ook als je niet naar de sportclub of de fitness kan, kan je in beweging blijven. Je kan aan yoga doen, of aerobics, je kan fietsen op een hometrainer, je kan dansen op je favoriete dansmuziek, je kan touwtjespringen of hoelahoepen, trampolinespringen. Zoek eventueel op youtube filmpjes om je hierbij te assisteren (zoals Nederland in Beweging, Yoga with Adriene, …), of apps…

·         Ook als je mekaar niet in ’t echt kan zien, kan je in contact blijven met mensen om je heen via social media, facetime, telefoontjes. Je kan zelfs ouderwets brieven schrijven of kaartjes sturen. Verbind jezelf met vrienden via chatgroups, en spreek enkele momenten per dag af om ‘samen’ een kopje thee te drinken of koffiepauze te houden. Je kan samen online gezelschapspellen spelen (bv. via Pogo, Wordfeud, …)

·         Creativiteit zijn kan op zoveel verschillende manieren: kleuren (er zijn ook kleurplaten voor volwassenen te vinden online, of mandala’s), schilderen, koken, schrijven, een instrument bespelen, een nieuwe tekst schrijven op je lievelingsliedje, trek erop uit met je smartphone en maak foto’s van dingen die je opvallen, maak filmpjes van je huisdier, …

·         Lees een boek dat al lang in je boekenkast staat, of luister naar een luisterboek (. Leer iets nieuws: op het internet zijn verschillende gratis opleidingen te vinden (bv http://www.openculture.com/, https://www.coursera.org/ of https://www.vdab.be/opleidingen/aanbod?p=1). Zoek een bingewatching waardige serie op Netflix, of een documentaire reeks. (Her)Bekijk klassieke films (het moet echt geen kerstmis zijn voor The Sound of Music). Zoek een meditatie-oefening die bij je past en wordt zen (bv. op https://www.levenindemaalstroom.be/nl/luisteren, https://www.vaardigleven.be/ of https://www.voluitleven.nl/audio-oefeningen). Bezoek een virtueel museum (https://tinyurl.com/t8z4jpn). Volg een podcast

·         Nu je thuis moet blijven, heb je misschien wat extra tijd om gezond en evenwichtig te eten. Maak tijd voor je ontbijt. Zorg voor fruit, yoghurt en af en toe ‘iets lekker ongezond’ als tussendoortjes. Lunch met veel groentjes. En probeer eens iets anders voor het avondeten. Inspiratie (gebaseerd op de Voedingsdriehoek) op https://www.zekergezond.be/tabs/home of in de Zeker Gezond app van het Vlaams Instituut Gezond Leven.

·         Natuurlijk kan je verschillende categorieën combineren: Schrijf met je vrienden een verhaal, door elk 1 zin te schrijven. Dans tegelijkertijd in je eigen slaapkamer. Mediteer in een groep (bv. via https://www.dyadinquiry.org/). Wissel je favoriete recepten uit, en maak ze op dezelfde dag.

2.      Wees heel concreet over welke nieuwe activiteiten je in je routine wil inpassen.

·         Wat ga je doen?

·         Wanneer?

·         Hoe?

·         Wat heb je nodig om het te doen?

·         Bekijk elke ochtend wat er ‘op de planning staat’ met betrekking tot de 4 activiteiten

3.      Wees mild voor jezelf

·         Je hoeft niet binnen een maand klaar zijn voor de Olympische Spelen. Je hoeft niet de Nobelprijs te winnen. Je hoeft geen schilderij te maken dat in het Museum voor Schone Kunsten komt te hangen. Alles wat je doet, doe je goed.

4.      Hou een ‘journal’ bij, en noteer hoe je nieuwe activiteiten je gevoelens/emoties, gedachten en gedrag beïnvloeden. Vraag je af of wat je doet, je ook helpt omgaan met de situatie. Probeer om je dagelijks stressniveau een cijfer van 1 (‘kzenhelemaalzen’) tot 10 (‘ben zo gespannen als een hoogspanningsleiding’) te geven. Zorgen de nieuwe activiteiten voor een daling van je stress? Als dat niet zo is, kijk dan wat je kan aanpassen (en wees mild voor jezelf).

auteur: Leentje Vervoort

 

Den HaagProf. Em. Pier Prins verzorgde op 6 november een gastles binnen de colleges Klinische Ontwikkelingspsychologie van Prof. Braet voor de 3de bach studenten.

 

Pier Prins is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam als Professor in de Klinische Ontwikkelingspsychologie. Zijn expertise situeert zich in de ontwikkeling en evaluatie van psychologische interventies voor kinderen en jongeren met internalizerende en externalizerende problemen. Hij is als kinderpsycholoog lid van de Nederlandse Vereniging voor Gedrags- en Cognitieve Therapie (VGCT). Hoewel hij sinds april dit jaar op emeritaat is, begeleidt hij nog steeds enkele doctoraatsstudenten en een post doc-onderzoeker, en verzorgt hij gastcolleges, workshops en lezingen.

 

In 2005 begon hij, samen met Prof. Braet, na te denken over de publicatie van een Nederlandstalig handboek klinische ontwikkelingspsychologie. Die brainstormsessies ontstonden uit een onvrede met bestaande, Engelstalige handboeken omdat die bijvoorbeeld te sterk biologisch of te sterk psychiatrisch georiënteerd waren, te weinig aandacht schonken aan de ontwikkeling van psychopathologie, of niets schreven over behandeling en interventies. Dit denkwerk resulteerde in 2008 in het verschijnen van de eerste versie van het Handboek Klinische Ontwikkelingspsychololgie, dat tot vorig academiejaar werd gebruikt als cursustekst voor de derde bach KLOP-colleges. Dit jaar verscheen de tweede, geheel herziene druk van het Handboek, dat nu het cursusboek is.

Prof. Prins gaf tijdens het gastcollege een mooi en helder overzicht van de basiskenmerken van de klinische ontwikkelingspsychologie als vakgebied. Elk van deze basiskenmerken illustreerde hij aan de hand van voorbeelden uit verschillende ontwikkelingsdomeinen.

 

Prof. Prins is expert in ADHD bij kinderen en jongeren, en gaf vanuit zijn jarenlange ervaring en kennis een boeiende bespreking van wat hijzelf noemt ‘het fenomeen ADHD’. Hij ging o.a. in op de toename in voorschrijfgedrag van ADHD-medicatie die niet samengaat met een stijgende prevalentie van ADHD, de verschuivende criteria om tot een diagnose te komen, en de vraag of ADHD een sociaal-cultureel construct dan wel een biologisch/medisch probleem is te vergelijken met een fysieke handicap. Laatste deel van zijn gastcollege handelde over innovatieve en veelbelovende behandelmogelijkheden voor ADHD. Daar waar een traditionele behandelvisie ervan uitgaat dat de kernsymptomen (aandacht, impulsiviteit en hyperactiviteit) van ADHD medicinaal behandeld dienen te worden, en de geassocieerde symptomen (schoolproblemen, sociale problemen, …) met psychosociale interventies, pleit Prof. Prins ervoor dat ook de kernsymptomen met psychosociale trainingen aangepakt kunnen worden. Deze innovatieve visie opent zeker mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuwe behandelingen.

 

Prof. Prins was tijdens mijn doctoraatsonderzoek mijn promotor, en dat ik de dag mocht afsluiten met een gezellig en lekker etentje met hém en mijn huidige supervisor, prof. Braet, maakte zijn bezoek aan Gent voor mij toch wel een bijzondere ervaring.

                           

mijn kind eet gezond

Mijn kind eet gezond, het nieuwe boek van Lien Joossens (diëtiste en docente VIVES), Leentje Vervoort, Caroline Braet en Ellen Moens (UGent) en Lies Elslander (diëtiste) is gespot in goed gezelschap!

 

 

Wie van jongs af gezond eet en actief is, maakt veel meer kans op een gezond lichaam. Maar hoe pak je dat als ouder aan? Moet je kind met overgewicht op dieet? Hoeveel mag hij/zij eten? Wat als je kind geen groenten wil eten? Hoe kun je hem/haar stimuleren om actiever te zijn? Mag je je kind belonen met een koekje? Is melk nog gezond? In 'Mijn kind eet gezond' geeft een team van psychologen en voedingsdeskundigen (Lien Joossens, diëtiste en docente voedings- en dieetkunde aan het VIVES; Leentje Vervoort, Caroline Braet en Ellen Moens van de UGent en diëtiste Lies Elslander) een antwoord op deze en nog veel meer vragen. Ruim honderd gezonde recepten zorgen ervoor dat je de theorie met plezier in de praktijk omzet. De gerechten zijn geschikt voor het hele gezin en vragen geen uren bereidingstijd, zodat je zonder al te veel moeite een lekkere maaltijd kunt bereiden, van ontbijt tot avondmaal.

auteur: Paul Hamers

 

Ieder centrum heeft zijn tradities. Een traditie begint met een eenmalig initiatief. Voor het centrum Kind & Adolescent ligt de eerste team-opstartdag al in een ver verleden. Naar jaarlijkse gewoonte ontmoeten we elkaar eind augustus in de Oude Abdij van Drongen.

 

vormingsdag centrum

 

Op het ochtendmenu stond de inhoudelijke verrijking rond “pathologische rouw”. Mariken Spuij (geruggesteund door collega Els van den Bosch) gidste ons een weg tussen depressie, PTSD en PCBD. We kwamen in nauwer contact met het behandelprotocol. We konden ervaren hoe onze sector er toch met rasse schreden op vooruitgaat wat betreft professionalisering en wetenschappelijk onderbouwde en afgetoetste methodieken.


Na het middagmaal (deze keer rijkelijk zonovergoten) namen we afscheid van de bevriende collega psychologen die voor het ochtenddeel waren aangetreden. In de namiddag stond de werking van het centrum zelf in de aandacht. We mochten we proeven van de aangename sfeer en het eensgezind streven naar een hoge kwaliteit in de werking met cliënten en in de onderlinge samenwerking.


Een dag om een plaatsje te geven in ons therapeuten hart. Of indien je wil: een dag om bij te schrijven in ons collegiaal script van veilig verbonden en kwaliteitsvol samenwerken.

auteur: Henk Weymeis 

 

kickoffOnder een stralende zon, met collega Laura W als gastvrouw, hebben de medewerkers van de onderzoeksgroep Klinische Ontwikkelingspsychologie (de 'KLOPpers') op 16 augustus plannen gemaakt voor het nieuwe academiejaar 2016-2017. Werkcolleges, theorievakken, thesisonderwerpen, ... werden besproken.


Tussendoor werd bijgepraat over de voorbije vakantieperiode (van 'Costa del Pinte' tot in Japan) en na een frisse aperitief hebben we erg genoten van Laura's kookkunsten, met spaghetti als hoofdgerecht en panna cotta met mango als dessert. Om af te sluiten nog een tas koffie, en we zijn er weer helemaal klaar voor!

 

Laura, een dikke merci voor de goede ontvangst!

 

 

BAPS 2016BAPS 2016

Op 24 mei gingen Marie-Lotte, Laura, Nele, Caroline, Leentje en ik naar het BAPS congres dat georganiseerd werd in Antwerpen. Deze dag werden we vergezeld door Julen uit Spanje. Hij doet onderzoek naar emotieregulatie bij jongeren en komt in september opnieuw naar België om met ons samen te werken. Op het congres woonden we verschillende interessante symposia bij, onder andere deze van Marie-Lotte, Laura, Nele en Julen. Tijdens de lunch kregen we de kans om vele posterpresentaties te bekijken. We sloten deze dag af met een gezellig en zeer lekker diner bij Leentje. Bedankt daarvoor!

 

Sofie 

Stockholm

 

Ook bij Kind en Adolescent kijken we, samen met onze struisvogel, niet weg van Jongeren met mentale problemen. We steken onze kop niet in de grond.

 

http://rodeneuzendag.be/

auteur: Leentje Vervoort

 

En plots was er een gezondheidstaks, een frisdranktaks …  In de voorbije jaren voerde het beleid overleg met wetenschappelijke experten over de wenselijkheid van een gezondheidstaks op ongezonde producten en de mogelijke effecten ervan op consumentengedrag en gezondheid. De discussie werd grondig gevoerd, en de consensus was dat, als de taks er zou komen, dit zeer goed voorbereid moest zijn. En toch was hij er plots, sneller dan verwacht, kleiner dan verwacht ook. Voorlopig geldt de taks enkel op frisdranken: een blikje frisdrank kost 1 eurocent meer, een fles frisdrank 3 eurocent. Om tot een gedragsverandering te komen, is deze taks niet ingrijpend genoeg. De voorgestelde taks is +/- 1%, terwijl wetenschappers, zoals bv. Lieven Annemans van de UGent en Tim Smits van de KULeuven, stellen dat prijzen met 10 à 20% moeten stijgen om te komen tot gedragsverandering. De effecten van prijsstijgingen op ongezonde producten zouden wel sterker zijn bij jongeren dan bij volwassenen (Ding, 2003). Van de gezondheidstaks zoals die nu voorligt zullen we met z’n allen echter niet leren om gezondere keuzes te maken.


Voorlopig geldt de taks enkel op frisdranken, alle frisdranken, ook op light, zero, suikervrij, … En dat riep heel wat verbazing en verontwaardiging op: “light producten zijn toch gezonder dan gewone producten …”. Light producten zijn inderdaad op een bepaalde manier gezonder dan gewone producten, want ze bevatten minder of zelfs geen calorieën. Maar toch … toch ben ik het al psychologe niet eens met de bewering dat het gebruik van light frisdranken leidt tot gewichtsverlies en betere gezondheid. De keuze voor een light frisdrank is niet per definitie een gezonde keuze.


Verschillende correlationele studies tonen aan dat jongeren die meer light frisdranken drinken zwaarder zijn (Blum, Jacobsen, & Donnelly, 2005; Pereira, 2013; Rogers et al., 2015; Yang, 2010). Ook bij de jongeren die deelnamen aan onze cross-sectionele Reward studie is dat zo: het BMI van jongeren die light frisdranken drinken is hoger dan dat van jongeren die geen frisdrank drinken en dat van jongeren die gewone frisdrank drinken.  Er is dus een link tussen de inname van light producten en gewicht, maar dat wil nog niet zeggen dat de inname van light producten de gewichtstoename veroorzaakt. Het kan ook dat het juist de zwaardere jongeren zijn die gaan kiezen voor de calorie-armere lightproducten in een poging om calorie-inname te beperken. Jongeren die light frisdranken drinken zijn inderdaad vaak jongeren die proberen gewicht te verliezen door hun inname te beperken (Pereira, 2013). Consistent hiermee zien we dat onze Reward jongeren die light frisdrank drinken minder snacken dan jongeren die gewone frisdrank drinken, vast ook in een poging om gewicht te controleren. Light frisdrank drinken (als alternatief voor gewone frisdranken) blijkt echter geen goede manier om gewichtsverlies te bekomen en te behouden. Enkel voor jongeren met veel overgewicht lijkt het vervangen van gewone frisdrank door light frisdrank op korte termijn een beetje te kunnen helpen bij gewichtsverlies (de Ruyter, Olthof, Seidell, & Katan, 2012; Ebbeling et al., 2012; Ebbeling et al., 2006; Swithers, 2015).


Light frisdranken hebben dan wel minder calorieën, maar ze zijn nog steeds zoet van smaak. En daar zit een groot probleem. Mensen worden geboren met een voorkeur voor zoet, en leren pas door herhaalde aanbieding van verschillende smaken een breder smaakpallet te appreciëren (Birch & Anzman-Frasca, 2011). Het is voor de andere smaken echter heel moeilijk om te concurreren met die aangeboren voorkeur voor zoet, zeker in een omgeving waar heel wat voedingsmiddelen een zoete smaak hebben. Wanneer kinderen vaak zoete dranken (al dan niet met veel calorieën) te drinken krijgen, versterkt dit hun aangeboren voorkeur voor zoet (Swithers, 2015).

Zoete dranken wekken honger en eetlust op, en dat effect lijkt sterker wanneer de zoete smaak wordt geleverd door artificiële zoetmakers (Black, Tanaka, Leiter, & Anderson, 1991; Blundell & Hill, 1986). Terwijl een aperitiefje gezoet met natuurlijke zoetmakers ertoe leidt dat volwassenen tijdens een maaltijd minder eten, blijkt uit experimenteel onderzoek dat bij dranken met artificiële zoetmakers het risico bestaat dat mensen meer gaan eten (Lavin, French, & Read, 1997; Rogers et al., 2015). Dit verschil blijkt er nog niet te zijn bij kinderen (Anderson, Saravis, Schacher, Zlotkin, & Leiter, 1989; Rogers et al., 2015), wat erop zou kunnen wijzen dat artificiële zoetstoffen effecten hebben die pas op lange termijn zichtbaar worden.


De leerpsychologie, en dan vooral de Pavloviaanse conditioneringstheorie, die ook een basistheorie van ons Reward project is, kan meer inzicht geven in onze bewering dat light frisdranken niet echt een gezonde keuze zijn. Wanneer iemand een bepaalde voedingsstof in de mond neemt (of zelfs  nog maar ruikt), lokt dit heel snel automatische reacties in het lichaam uit die het individu voorbereiden om de energie uit die voeding efficiënt en effectief te verwerken. De smaak in de mond wordt als het ware een signaal voor de maag dat er energie (bv. suiker) onderweg is die verwerkt zal moeten worden. De zoete smaak in de mond, kondigt de suiker aan. En nog voor de suiker de maag bereikt, zijn er al allerlei fysiologische processen aan de gang die die suiker als het ware opwachten om de energie te verwerken. De zoete smaak lokt de verwerkingsreactie uit. Maar in het geval van light frisdranken (wel zoet, maar zonder suiker), komt die verwachte suiker nooit tot in de maag. De zoete smaak is dus niet langer een goed signaal voor de komst van suiker, en de automatische verwerkingsreactie zal, volgens het principe van de extinctie, verzwakken en uitdoven. De fysiologische processen die moeten instaan voor de verwerking van de energie kunnen als het ware afgestompt raken, en hun werk niet meer optimaal doen, zelfs niet wanneer er echt energie (suiker) volgt op een zoete smaak. Light frisdranken lijken dus de normale conditioneringsprocessen die zo belangrijk zijn bij efficiënte energieverwerking te verstoren (Swithers, 2015).


Een vergelijkbare verstoring treedt op in de beloningsgebieden van de hersenen. Centraal thema van het Reward project is dat ons eetgedrag voor een groot deel gestuurd wordt door de beloning die voedsel opwekt in de hersenen. Die beloning heeft twee kanten. Allerlei sensoriële aspecten van voeding, zoals geur en smaak, kunnen beloningsgebieden (o.a. amygdala, thalamus, orbitofrontale cortex) in de hersenen activeren nog voor het voedsel echt wordt geconsumeerd. Na de consumptie van lekkere voedsel komen er hedonische reacties en een aangenaam voldaan gevoel, gestuurd vanuit het mesolimbisch dopamine systeem. De effecten na de consumptie (de postingestie effecten) zijn echter afhankelijk van energie, en kunnen niet optreden bij energievrije producten. Light frisdranken wekken dus eigenlijk maar één kant van het beloningsproces op: ze leveren wel de sensoriële aspecten van de beloning, maar niet het voldaan gevoel. Dit zorgt ervoor dat het lichaam blijft snakken naar voldoening, en op zoek gaat naar echt belonend (dus energierijk) voedsel (Yang, 2010).


Al deze overwegingen samen, brengt me tot de conclusie dat light frisdranken geen gezonde keuze zijn, en dat ze dus terecht deel uitmaken van een gezondheidstaks.

 

(er zijn nog allerlei andere bedenkingen te maken bij de invoering van deze taks, maar daar spreek ik me hier niet over uit)

 

 

REFERENTIES

 

  • Anderson, G. H., Saravis, S., Schacher, R., Zlotkin, S., & Leiter, L. A. (1989). ASPARTAME - EFFECT ON LUNCH-TIME FOOD-INTAKE, APPETITE AND HEDONIC RESPONSE IN CHILDREN. Appetite, 13(2), 93-103. doi:10.1016/0195-6663(89)90107-4
  • Birch, L. L., & Anzman-Frasca, S. (2011). Learning to Prefer the Familiar in Obesogenic Environments. In H. VanGoudoever, S. Guandalini, & R. E. Kleinman (Eds.), Early Nutrition: Impact on Short- and Long-Term Health (Vol. 68, pp. 187-199). Basel: Karger.
  • Black, R. M., Tanaka, P., Leiter, L. A., & Anderson, G. H. (1991). SOFT DRINKS WITH ASPARTAME - EFFECT ON SUBJECTIVE HUNGER, FOOD SELECTION, AND FOOD-INTAKE OF YOUNG-ADULT MALES. Physiology & Behavior, 49(4), 803-810. doi:10.1016/0031-9384(91)90321-e
  • Blum, J. W., Jacobsen, D. J., & Donnelly, J. E. (2005). Beverage consumption patterns in elementary school aged children across a two-year period. Journal of the American College of Nutrition, 24(2), 93-98.  Retrieved from ://WOS:000228529000003
  • Blundell, J. E., & Hill, A. J. (1986). PARADOXICAL EFFECTS OF AN INTENSE SWEETENER (ASPARTAME) ON APPETITE. Lancet, 1(8489), 1092-1093.  Retrieved from ://WOS:A1986C223300025
  • de Ruyter, J. C., Olthof, M. R., Seidell, J. C., & Katan, M. B. (2012). A Trial of Sugar-free or Sugar-Sweetened Beverages and Body Weight in Children. New England Journal of Medicine, 367(15), 1397-1406. doi:10.1056/NEJMoa1203034
  • Ding, A. (2003). Youth are more sensitive to price changes in cigarettes than adults. Yale Journal of Biology and Medicine, 76(1-6), 115-124.  Retrieved from ://WOS:000230501200009

    Ebbeling, C. B., Feldman, H. A., Chomitz, V. R., Antonelli, T. A., Gortmaker, S. L., Osganian, S. K., & Ludwig, D. S. (2012). A Randomized Trial of Sugar-Sweetened Beverages and Adolescent Body Weight. New England Journal of Medicine, 367(15), 1407-1416. doi:10.1056/NEJMoa1203388

  • Ebbeling, C. B., Feldman, H. A., Osganian, S. K., Chomitz, V. R., Ellenbogen, S. J., & Ludwig, D. S. (2006). Effects of decreasing sugar-sweetened beverage consumption on body weight in adolescents: A randomized, controlled pilot study. Pediatrics, 117(3), 673-680. doi:10.1542/peds.2005-0983
  • Lavin, J. H., French, S. J., & Read, N. W. (1997). The effect of sucrose- and aspartame-sweetened drinks on energy intake, hunger and food choice of female, moderately restrained eaters. International Journal of Obesity, 21(1), 37-42. doi:10.1038/sj.ijo.0800360
  • Pereira, M. A. (2013). Diet beverages and the risk of obesity, diabetes, and cardiovascular disease: a review of the evidence. Nutrition Reviews, 71(7), 433-440. doi:10.1111/nure.12038
  • Swithers, S. E. (2015). Artificial sweeteners are not the answer to childhood obesity. Appetite, 93, 85-90. doi:10.1016/j.appet.2015.03.027
  • Yang, Q. (2010). Gain weight by "going diet"? Artificial sweeteners and the neurobiology of sugar cravings. Yale Journal of Biology and Medicine, 83, 101-108. 

 

 

StockholmHet 25ste congres van de European Childhood Obesity Group (ECOG) van 12 tot 14 oktober 2015 in Stockholm, Zweden brengt de meest recente inzichten betreffende preventie en behandeling van kinderobesitas.

 

Vanuit de Klinische Ontwikkelingspsychologie presenteerden wij (Caroline, Ellen, Julie en ik) er ook de resultaten van ons obesitas-onderzoek.

Sandra

auteur: Leentje Vervoort

 

Jeruzalem is geen voor de hand liggende locatie om een internationaal congres te organiseren. Heel wat collega’s kozen om dit jaar niet aan het congres deel te nemen, wegens “te gevaarlijk” of “niet eens met de Israëlische regering”. Met alle respect voor deze gedachten, vond ik toch dat ikzelf moest gaan. Als politiekers en diplomaten niet tot een oplossing kunnen komen, moet die misschien komen van wetenschappers... en dan denk ik dat we als psychologen, bezig met gedrag van mensen in moeilijke momenten, een rol kunnen spelen (hoe klein ook). Dat ook kunst mensen in moeilijke momenten dichter bij elkaar kan brengen, werd duidelijk tijdens de openingsceremonie door het optreden van The Jerusalem Youth Chorus waar Israelische en Palestijnse jongeren samen zingen en verschillen overbruggen.

 

Thema van het congres was ‘CBT: A Road to Hope and Compassion for People in Conflict’, en niet alleen in verschillende symposia maar ook in een aantal keynotes werd specifiek ingegaan op de gevolgen van de politieke en religieuze situatie, voor en door zowel Joden als Palestijnen. Opvallend, maar natuurlijk niet geheel onverwacht, was de kwantiteit en kwaliteit van trauma-gerelateerd onderzoek en de toepassing ervan in de praktijk. Eens te meer gaat oorlog samen met wetenschappelijke vooruitgang…

 

Wij, onderzoekers en behandelaren weten uit heel wat wetenschappelijk onderzoek en ook uit ervaring dat Cognitieve Gedragstherapie een werkzaam behandelprotocol is voor mensen met verschillende psychologische problemen. In verschillende presentaties kwam aan bod dat we niet alleen moeten onderzoeken wat de ‘effectiviteit’ van een behandeling is, maar ook wat de ‘kosten-effectiviteit’ is: is de ‘winst’ die we maken met de behandeling de ‘investering’ waard. Een ietwat onbekend en vaak onbegrepen perspectief voor psychologen, maar in deze moeilijke budgettaire tijden zeker een belangrijk punt. Samenwerking met (gezondheids-)economen kan hier zeker tot vooruitgang leiden, zoals duidelijk werd in de bespreking van het Britse programma ‘Improving Access to Psychological Therapies’ (IAPT), opgesteld door Prof. David M. Clark (gedragstherapeut) en Prof. Richard Layard (econoom). Prof. Clark riep ook op tot de afbakening en het gebruik van gestandaardiseerde ‘patient-centered outcomes’ voor angst en depressie, zodat mensen met een hulpvraag duidelijk zicht kunnen krijgen op hun persoonlijke prognose, eerder dan op gemiddelde effectiviteit van een behandelprotocol. Een meer ‘persoonlijke’ benadering van evidence-based behandelen is ook de kerngedachte van de ontwikkeling naar een nieuwe format van cognitieve gedragstherapie. Meer en meer wordt duidelijk dat de effecten van een traditionele one-for-all protocollen kunnen versterkt worden door meer ‘à la tête du client’ te gaan werken, zoals bijvoorbeeld gebeurt in het Unified Protocol van Prof. David Barlow. In deze aanpak wordt afgestapt van een ‘protocol per diagnose’ benadering, maar wordt gewerkt rond het diagnose-overschrijdend proces van emotieregulatie. Op het congres kwamen verschillende visies op emotieregulatie (bv. het idee van prof. Stefan Hoffman over interpersoonlijke emotieregulatie) aan bod, en werden verschillende technieken om emotieregulatie te bevorderen besproken.

 

De organisatoren hadden een mooi en vol programma opgesteld, met wel 28 keynote sprekers, 13 pre-congress en 13 in-congress workshops, symposia, open papers, panel discussions, clinical case discussions en meer dan 150 posters. In vergelijking met andere jaren, waren er weinig presentaties van Vlaamse collega’s. Wouter Stassen (OPZC Rekem, Lanaken) sprak over psychotherapie voor etnische minderheden, Tine Vervoort (UGent) over aandacht van ouders voor pijn bij kinderen en Berna A. Sari (UGent) over werkgeheugentraining bij angst. Zelf presenteerden we (prof. Caroline Braet en ikzelf), samen met collega’s uit Groningen (prof. Peter de Jong en Renate Niemeijer) en Tel Aviv (prof. Daniel Stein), ons eigen onderzoek rond (verstoord) eetgedrag. 

 

Congressen zijn ook altijd uitgelezen kansen om collega’s terug te zien en om nieuwe mensen te ontmoeten, om te werken aan je netwerk, en dat was ook nu weer het geval. Het sociale programma (openingsreceptie, uitstappen naar toeristische attracties in de buurt van Jeruzalem, een ochtendlijke looptocht door Jeruzalem, een toeristische busrit met gids, galadiner) en natuurlijk discussies bij koffie en cake of bij de lunch maakten dat we konden bijpraten met ‘old friends’ en kennis maakten met ‘new friends’. Er zijn alvast allerlei plannen voor EABCT2016 (Stockholm) en WCBCT2016 (Melbourne).

auteur: Laura Vandeweghe

 

Leentje en Laura zijn samen met doctoraatsstudente Nienke Jonkers en Prof. Peter De Jong van de Rijsuniversiteit Groningen, een artikel aan het schrijven over maten die beloningsgevoeligheid en strafgevoeligheid in kaart brengen. In de week van 16 februari trokken zij naar Groningen om het artikel verder vorm te geven. Beloningsgevoeligheid en strafgevoeligheid stammen af van de Reinforcement Sensitivity Theory van Gray. Deze concepten verwijzen naar de gevoeligheid van twee neuropsychologische systemen, respectievelijk het Behavioral Activation System (BAS) en het Fight Flight Freeze System (FFFS). BAS wordt geactiveerd wanneer er positieve, aantrekkelijke prikkels aanwezig zijn in onze omgeving, en zorgt voor toenadering. FFFS daarentegen, reageert op aversieve, straffende stimuli en zorgt voor vermijding. Omdat er veel verschillende meningen bestaan over hoe deze neurologische systemen vertaald kunnen worden in psychologische termen, vinden we in de literatuur een verscheidenheid aan maten waarmee belonings- en strafgevoeligheid gemeten worden. Met ons artikel willen we een genuanceerd overzicht geven van alle gebruikte maten (zowel vragenlijsten als taken), zodat de lezer afhankelijk van zijn/haar specifieke onderzoeksvraag een gepaste maat kan kiezen. Tijdens ons bezoek aan Groningen kregen we ook de kans om het REWARD-project voor te stellen. We danken onze Groningse collega’s graag voor hun hun gastvrijheid en de interessante, inspirerende discussies die we met hen konden voeren!

auteur: Leentje Vervoort, projectmanager van het Reward Project

 

Karrewiet

 

Waarom grijpen we sneller naar snoep en chocolade?

In snoep en chocolade zit veel suiker en veel vet. Suiker en vet hebben we nodig om te overleven: het geeft ons energie om te bewegen, om te leren en om te groeien.

Het is dus belangrijk dat we vet en suiker eten. Nu zitten onze hersenen heel slim in elkaar. Als er iets is, dat heel belangrijk is voor ons overleven, zoals bv. slapen, of suiker en vet eten, dan zorgen onze hersenen dat we dat leuk gaan vinden, dat ons dat een goed gevoel geeft. Eigenlijk voelt het een beetje als een beloning. En iets dat ons een goed gevoel geeft, iets waar we een beloning voor krijgen dat willen we graag vaak doen, dat gaan we herhalen. Dat zit zo in onze hersenen ‘ingebakken’.

Dat is altijd al zo geweest is. Wij wetenschappers zeggen dan ‘dat is evolutionair gegroeid.’ Zelfs toen we nog oermensen waren, miljoenen jaren geleden. Omdat suiker en vet zo belangrijk is om te kunnen overleven, zit in heel veel van de dingen die we eten. Heel vroeger, toen we nog oermensen waren, konden we niet, zoals nu naar de winkel gaan om eten te kopen, of naar de keuken om iets uit de kast te nemen. Toen moesten we op zoek gaan naar eten. Eten verzamelen of erop jagen is moeilijk, want je weet nooit of je de volgende dag wel eten zal vinden. Daarom zijn onze hersenen zo gemaakt dat we eigenlijk elke keer als we vet of suiker zien, we dat zullen willen eten. Vroeger, in de oertijd, was dat geen probleem, want dan was eten met veel vet en veel suiker zeldzaam. Er was er niet veel van. Nu is dat helemaal anders: wat we nu in de winkel vinden, bevat vaak veel vet en veel suiker. Chocolade en snoep zijn daar zeker een voorbeeld van.

In chocolade en snoep zit veel meer suiker en vet in dan we eigenlijk nodig hebben om te overleven. Maar omdat suiker en vet zo belangrijk zijn om te overleven, geven onze hersenen ons telkens een goed gevoel als we het eten. En zoals ik al eerder zei: wat ons een goed gevoel geeft, wat voelt als een beloning, dat blijven we doen. En daarom grijpen we zo vaak naar snoep en chocolade: suiker en vet voelen als een beloning.

 

Worden álle kinderen aangetrokken tot snoep of chocolade?

Ja, maar niet iedereen wordt even sterk aangetrokken tot snoep of chocolade.

Voor iedereen werken het vet en de suiker in snoep en chocolade als een beloning. Maar niet iedereen voelt die beloning even sterk. Kinderen die een heel erg goed gevoel krijgen van snoep en chocolade, kinderen dus voor wie het heel erg belonend is,  zullen er sterker toe aangetrokken worden dan kinderen die die beloning minder sterk voelen.

 

Heb je tips om toch gezonder te eten? Hoe kunnen we aan de verleiding weerstaan?

Gezond eten is inderdaad heel belangrijk. Maar af en toe snoepen mag. 

Het past in een gezond eetpatroon. Denk maar aan de Actieve Voedingsdriehoek, die wordt aangeleerd op school. Snoep zit in het topje daarvan, in de Restcategorie, en uit de restcategorie mag je af en toe iets eten. Je moet dus niet altijd aan de verleiding van snoep of chocolade weerstaan. Maar ... zorg dat je alleen snoept bij speciale gelegenheden. Hou het voor bijzondere gebeurtenissen.

Wat kan je nu doen om, als je dan eens snoept, niet te veel te snoepen, of niet te vaak? Er zijn een paar heel praktische tips die je daarbij kunnen helpen.

Zorg ervoor dat er niet overal in huis snoep ligt, zeker niet in je eigen kamer of in kamers waar je vaak bent, zoals de woonkamer. Stop al het snoep liever weg in 1 kast, en best nog op een plek waar je er lastig aankan, bv. de allerhoogste kast in de keuken. Zo zie je het snoep niet altijd overal liggen, en word je minder verleid. Het is ook lastiger om aan je snoep te raken: je moet er wat meer moeite voor doen, en vaak heb je eigenlijk helemaal geen zin om moeite te doen... 

Dus Tip 1: stop je snoep ergens ver weg (of vraag aan je ouders om dat te doen).

Als je niet te veel wil snoepen, zorg dan voor kleine porties, kleine verpakkingen. Als je een hele grote zak chips hebt, is het lastig om te stoppen met snoepen. Als je maar een beetje chips in een kommetje doet, of een klein zakje chips neemt, dan is het gewoon sneller op, en heb je dus minder gesnoept. Dus Tip 2: kleine verpakkingen, kleine hoeveelheden. Als je mee gaat boodschappen met je mama of papa, leg dan kleine verpakkingen in de winkelkar in plaats van grote.

Als je toch een keer een grote zak snoep hebt, deel het dan met je vrienden of je familie. Zo krijgt iedereen een beetje (en af en toe een beetje snoepen mag), en zo eet jij niet alles op.

Ben je iemand die zelf vaak snoep koopt, bijvoorbeeld op weg naar school, met je eigen geld. Zorg dan dat je niet te veel geld op zak hebt, dan kan je niet veel snoep kopen. Bedenk trouwens eens wat je zou kunnen kopen met het geld dat je niet uitgeeft aan snoep. Is er iets wat je heel graag wil, en waar je voor wil sparen? Maak daar dan een plan voor, en leg het geld dat je zou uitgeven aan snoep daarvoor opzij. Beloon jezelf als je niet snoept, door geld daarvoor in een spaarpotje te stoppen. Bv. 1 dag niet snoepen, is 50 cent in de pot. 

Dus Tip 3: besteed je geld aan iets anders dan aan snoep.

Al deze trucjes klinken misschien dan wel gemakkelijk, maar soms is het gewoon erg moeilijk om niet te snoepen, en lijkt het alsof je de verleiding toch niet kan weerstaan. Dat is lastig, maar er zijn toch nog enkele dingen die je kan doen om in zo'n geval toch niet te gaan snoepen. Daarvoor moet je je een beetje voorbereiden, en maak je best een Noodplan. Bedenk allerlei dingen die je kan doen, in plaats van snoepen. Je kan bijvoorbeeld een liedje zingen, een glas water drinken, een dansje doen, beetje springen op de trampoline, een tekening maken, een stuk fruit eten, of kerstomaatjes ... Als je eens goed nadenkt, vind je vast wel wat leuke dingen die je kunnen doen vergeten dat je zin had om te snoepen. Als je erg veel zin hebt om te snoepen, is het moeilijk om zulke dingen te bedenken, dus ik zou

zeggen: ga strakjes of morgen eens rustig zitten, en bedenk zo een Noodplan, schrijf het ergens op, maak er misschien een leuke tekening, of een collage van, en hou het plan dicht bij je, bv. in je schooltas, of boven je bed, of op de koelkast... Tip 4 is dus het Noodplan. Als je wil gaan snoepen, kijk dan op je Noodplan wat je anders kan doen.

Je kan met jezelf ook afspreken, en dat kan je ook op het Noodplan zetten, dat je aan jezelf een boete moet betalen als je toch teveel gesnoept hebt. Die boete kan vanalles zijn: je tanden poetsen, je bed opdekken, 10x pompen, ... iets wat je eigenlijk een beetje lastig vindt. Tip 5 is dus de Snoepboete.

Eerste congreservaringen van Henk en Marie-Lotte

 

auteur: Henk Weymeis

 

Woensdagavond 10 december zijn we met z'n vieren met de trein vertrokken naar Leuven voor een driedaagse research meeting: Eva, Laura, Marie - lotte en Henk. Daar zouden we dan de volgende dag ook Caroline tegenkomen.

 

Eva en Laura kwamen voornamelijk luisteren, terwijl Marie - Lotte en Henk hun verhaal kwamen doen op vrijdag. Het zou toch wel een uitdaging worden: twee onderzoeksprojecten die in de kinderschoenen staan voorstellen in het Engels aan een (deels) internationaal en toch wel ervaren publiek. De zenuwen stonden af en toe gespannen maar gelukkig was er ook af en toe tijd voor iets anders.. . Die avond zijn we samen in een Italiaans restaurant iets gaan eten om er daarna 'vroeg' in te kruipen. Het hotel waar we verbleven was een groot smal herenhuis, met een gezellige inrichting. Dit kon ons zeker bekoren.. . Na een welgekomen ontbijt kwamen we donderdag samen om een aantal interessante onderzoekers te aanhoren, die toch duidelijk al wat meer jaren ervaring achter de rug hebben. Leerrijk, interessant, maar toch ook een gevoel van: 'we hebben wel nog wat bij te leren..' . Er kwamen tal van nieuwe vragen en inzichten naar boven, waarover nog heel wat van gedachten gewisseld kon worden.. . Ook was er de kans om contact te leggen met andere onderzoekers, bijvoorbeeld in functie van toekomstige samenwerkingsverbanden. 's Avonds zijn we samen met de volledige groep gaan eten in het centrum van Leuven, om daarna de kerstmarkt te bezoeken. Het was er fijn om wat rond te lopen en ook de gluhwein en andere drankjes hebben gesmaakt. Bij sommigen was dit noodzakelijk geworden bij het bestrijden van een opkomende verkoudheid. Vrijdag was het uiteindelijk D - Day voor Marie - Lotte en Henk.. . Eerst kwamen een aantal andere doctorandi aan bod, waarvan gezegd mag worden dat ze het allemaal heel goed deden. Daarna was het ons beurt, en kan er gerust gesteld worden dat we er ons naar best mogelijk vermogen doorheen gesparteld hebben. Met het weekend in het verschiet hadden we er nog een opmerkelijk lange treinrit opzitten (met een geheel onschuldige knipoog naar Laura toe ;)). Het was een plezante en leerrijke ervaring en hopelijk brengt het nog meer mooie resultaten met zich mee naar de toekomst toe!

auteur: Julie Vandewalle

 

Het 24ste congres van de European Childhood Obesity Group (ECOG) ging dit jaar door op 13-14-15 november 2014 in Salzburg, Oostenrijk. We gingen er vanuit de groep Klinische Ontwikkelingspsychologie naartoe met 'obesitas-onderzoekers', zijnde Dr. Ellen Moens, Dr. Sandra Verbeken, Prof. Dr. Caroline Braet en ikzelf.

 

SalzburgOnze kennis omtrent de preventie en behandeling van pediatrische obesitas, zowel op psychologisch, voedingskundig als medisch vlak werd er up-to-date gebracht. Deze kennis werd ons aangereikt via interactieve workshops, symposia, oral presentations, postersessies, working groups en gemoedelijke praatjes met andere onderzoekers. Het gemengde publiek van artsen, psychologen, diëtisten,... kon het programma wel smaken, alhoewel het publiek het niet altijd met elkaar eens was, wat dan ook aanleiding gaf tot vurige discussies, bijvoorbeeld omtrent het onderwerp bariatrische chirurgie bij kinderen. Wijzelf droegen ook ons steentje bij aan het congres, hoewel we het misschien beter een alpiene rotsblok noemen. Van workshop tot posters en praatjes, we deelden ook onze psychologische kennis omtrent pediatrische obesitas maar al te graag. Zelfs het uitreiken van de posterawards werd perfect geleid door onze eigenste Prof. Caroline Braet, die ook voorzitter was van het Wetenschappelijk Comité van dit boeiende congres.

 

auteur: Lien Goossens

 

Van 10  tot 13 september trokken we met onze KLOP-groep naar het 44ste Congress of the European Association for Behavioural & Cognitive Therapies (EABCT) in Den Haag. Het centrale thema van het congres was dit jaar: ‘Bridging the gap between science and practice’. Gedurende het congres brachten 17 keynote-sprekers de meest recente updates omtrent het onderzoek naar en de behandeling van een brede waaier aan klinische stoornissen, zoals depressie, angst, eetstoornissen, en verslaving. Dankzij de verschillende workshops, symposia, masterclasses en ‘meet the expert’ meetings kreeg ieder van ons de kans zich te verdiepen in zijn eigen onderzoeks- en interesseveld.

 

Den HaagVanuit onze eigen KLOP-groep werd meegewerkt aan verschillende symposia. Zo bracht Sandra de resultaten van haar executieve functietraining bij obese kinderen binnen een symposium omtrent ‘subtypes in obesitas: verschillende mechanismen en interventies?’. Op vrijdagochtend organiseerden we een symposium rond ‘nieuwe inzichten in onderzoek naar de determinanten van eet- en gewichtsproblemen van de kindertijd tot de adolescentie’ waarbinnen zowel Laura VDW, Ellen, Kim, Julie en ikzelf ons onderzoek presenteerden. Op datzelfde moment waren ook Caroline en Laura W aan de beurt binnen hun symposium rond ‘Depressie en emotieregulatie’. Leentje bracht vervolgens een bijdrage in een workshop rond kennistransfer en de laatste dag was tenslotte ook Eva aan de beurt. Zij presenteerde haar recente studie binnen een symposium omtrent de operationalisatie van hechting in CBT. Nadien trokken we allen huiswaarts, onze koffer gevuld met de meest recente klinische inzichten,  interessante onderzoeksideeën, en heel wat leuke herinneringen aan de gezellige teamactiviteiten!

auteur:Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.Eva Vandevivere

 

Veilig gehechte personen zijn in staat om informatie, zowel positieve als negatieve, op een open manier te verwerken. Volgens de defensieve-exclusie hypothese, zullen onveilig gehechte personen informatie gerelateerd aan het gehechtheidssysteem echter defensief uit hun aandacht weren, ongeacht het type onveilige gehechtheid. In ons onderzoek wilden we bij kinderen uit de lagere school nagaan of de aandachtsverwerking van moeder haar gezicht gerelateerd was aan de kwaliteit van de relatie tussen moeder en kind.

 
MatrixWe presenteerden 62 kinderen (8-12 jaar) een matrix met acht gezichten, waarvan telkens één gezicht het gezicht van moeder betrof en de andere gezichten onbekende vrouwen voorstelden. In de eerste taak keken deze gezichten neutraal, in de tweede taak afwisselend blij en boos. De kinderen keken naar de foto’s hoe ze dit zelf wilden, en tijdens het kijken werden hun oogbewegingen geregistreerd. Verwacht werd dat veilig gehechte kinderen de neutrale, positieve, en negatieve gezichten van moeder op een meer open manier zouden verwerken dan onveilig (angstig en vermijdend) gehechte kinderen.

 

Resultaten toonden inderdaad aan dat meer veilig gehechte kinderen langer naar moeder haar gezicht keken (in vergelijking met de onbekende gezichten), ongeacht de emotionele expressie. Ook vertoonden deze kinderen meer volgehouden aandacht op moeder haar neutraal gezicht. Daarnaast was een meer vermijdende gehechtheidsstijl gerelateerd aan het minder lang kijken naar moeder haar neutraal, blij, en boos gezicht. Angstige gehechtheid was niet consistent gerelateerd aan de aandachtsverwerking van de gezichten.

 

De studie bevestigt dat de gehechtheidsstijl de aandachtsverwerking beïnvloedt en biedt additionele evidentie voor de defensieve-exclusie hypothese. Klinisch impliceren de bevindingen dat vermijdend gehechte kinderen een onveilige band met moeder in stand houden, omdat ze ook correctieve ervaringen met betrekking tot zorg en troost uit de aandacht weren. Naast interventies die ouders helpen om meer sensitief en responsief te zijn, is er dus nood aan therapieën die de verstoorde aandachtsverwerking van het kind wijzigen ten einde de hechtingskwaliteit tussen ouder- en kind te verbeteren.

 

Deze bevindingen werden recent gepresenteerd op de meeting van The International Society for the Study of Behavioural Development, Shanghai, China. Bovendien werd het manuscript getiteld ‘Attachment and Children’s Biased Attentional Processing: Evidence for the Exclusion of Attachment-Related’ onlangs gepubliceerd in PlosOne. Het is te raadplegen via volgende link: http://dx.plos.org/10.1371/journal.pone.0103476.

auteur: Laura Vandeweghe

 

Op 31 maart en 1 april werden de resultaten van het HabEat project voorgesteld aan een uitgebreide groep internationele onderzoekers. Dit Europese project, gefinancieerd vanuit het 7th European Union Framework Programme met 11 partners uit 6 verschillende landen, onderzocht gedurende vier jaar hoe tijdens de eerste levensjaren eetgedrag en voedselvoorkeuren gevormd worden. Aangezien dit onderzoek sterk aanleunt bij ons REWARD-project konden we dit uiteraard niet aan onze neus laten voorbijgaan. Met vijf onderzoekers trokken we naar het symposium in Dijon. De bevinding die het meest naar voor kwam,  was de effectiviteit van repeated exposure als strategie om de inname van groenten te verhogen bij kinderen van 1 tot 6 jaar. Bij repeated exposure wordt het kind herhaaldelijk blootgesteld aan de smaak van de groente. Dit zou ervoor zorgen dat het kind de groente leert lusten en het bijgevolg ook meer eet.

Ook wij kregen de kans om de eerste bevindingen van onze REWARD studies voor te stellen. Leentje Vervoort maakte een poster over een studie waarin aan de hand van focusgroepen onderzocht werd wat volgens ouders, onthaalouders en medewerkers in kinderdagverblijven (in)effectieve strategieën en omgevingscues zijn om gezond eten te bevorderen bij kleuters. Het design van de vervolgstudie werd in een poster gegoten door Sandra Verbeken en Ellen Moens. In deze  interventiestudie worden deze als effectief beschouwde strategieën daadwerkelijk uitgetest bij peuters in kinderdagverblijven. Mijn poster gaf de resultaten weer van een lab-studie waarin onderzocht werd hoe kinderen gemotiveerd kunnen worden om te proeven van een groente die ze niet lusten. Annelies De Decker presenteerde ten slotte een poster over de link tussen beloningsgevoeligheid en de consumptie van vet- en suikerrijke voeding.

Het was een leerrijke ervaring en we hebben heel wat inspiratie opgedaan, niet alleen voor toekomstig onderzoek en valorisatiemogelijkheden van onze eigen onderzoeksresultaten, maar ook voor de organisatie van toekomstig symposia van ons REWARD project!

auteur: Julie Vandewalle

 

Met mijn collega Kim Van Durme trok ik eind maart naar het jaarlijkse International Conference on Eating Disorders, afgekort ICED, in New York.

 

Onderzoekers, psychologen, artsen,... van over de hele wereld (een recordaantal zelfs dit jaar!) kwamen hier samen om het nieuwste onderzoek, behandelingen en preventieprogramma's met betrekking tot eetstoornissen te bespreken. Dit jaar werd ook obesitas en de daarmee gepaard gaande binge eating disorder meer in de kijker gezet.

 

Kim en ik brachten op dit congres elk twee posterpresentaties. Kim stelde haar onderzoek voor over de rol van onveilige hechting en maladaptieve emotieregulatie. Dit onderzocht ze zowel bij adolescente meisjes met anorexia nervosa alsook bij een niet-klinische groep van adolescenten. Ikzelf bracht mijn onderzoek omtrent de invloed van ouderlijke verwerping en emotieregulatie op emotioneel eten bij obese adolescenten alsook bij een niet-klinische groep van adolescenten. Onze posters konden op veel bijval rekenen, wat onze congreservaring vanzelfsprekend extra prettig maakte.

 

Naast onze eigen presentaties, volgden we tevens verschillende workshops en wetenschappelijke symposia, elk binnen ons eigen onderzoeksveld. We waren blij te zien dat emotieregulatie, een thema dat binnen ons onderzoek centraal staat, steeds meer onder de aandacht wordt gebracht in het verklaren en behandelen van eetstoornissen! 

Start van het onderzoek naar hoe we de ontwikkeling van smaak - en voedingsvoorkeuren bij peuters kunnen ondersteunen.

 


auteur: Ellen Moens

 

Studies die de voedingsgewoonten van kinderen in kaart brengen stellen steeds opnieuw vast dat kinderen minder fruit en groenten eten dan de aanbevolen hoeveelheid van 5 porties per dag. De grootste barrière hierbij blijkt de smaakvoorkeuren van kinderen te zijn. Jonge kinderen hebben een aangeboren voorkeur voor zoete en zoute smaken. Dit zorgt ervoor dat groenten voor jonge kinderen de minst geprefereerde voedingscategorie zijn. Bovendien treedt rond de leeftijd van 18 tot 24 maanden ook voedselneofobie op. Dit refereert naar de tendens om nieuw, onbekend voedsel te verwerpen terwijl de baby vroeger wel een bereidheid tot proeven en aanvaarden vertoonde. Het optreden van neofobie is ontwikkelingsgerelateerd – de peuter bevindt zich dan aan de start van zijn koppigheidsfase – maar kan blijven persisteren. Neofobie in de kindertijd werd bij 8 tot 50% van de kinderen gevonden en kan leiden tot de ontwikkeling van een heel selectief eetpatroon  . De ontwikkeling van smaakvoorkeuren kan dus best als een leerproces op lange termijn gezien worden.

Dit leidde ertoe dat onze onderzoeksgroep die al jaren dysfunctioneel eetgedrag bij lagere school kinderen en adolescenten bestudeerde, recent een onderzoek startte gericht op deze jonge leeftijdsgroep. Meer bepaald wil het team het effect van leerprocessen onderzoeken op de bereidheid tot proeven van onbekend/onbemind voedsel. Individuele kenmerken van het kind zullen hierbij ook in rekening gebracht worden.

Deze studie is een prospectieve, observationele studie waarin 45 kinderen (tussen 18 en 24 maanden in drie Gentse kinderdagverblijven), hun ouders en hun verzorgsters participeren. De kinderen worden at random toegewezen aan één van drie condities: een neutrale conditie, een positieve conditie en een controlegroep waarin ze blootgesteld worden aan een onbekend/onbeminde gekookte groente. De neutrale conditie omvat ‘herhaalde exposure’. In de positieve conditie worden stimuli toegevoegd die de herhaalde exposure begeleiden (i.e. de aanwezigheid van een kinderverzorgster tijdens het proeven; het benoemen van de voeding en kindvriendelijk eetmateriaal). De selectie van deze stimuli gebeurde op basis van de resultaten van focusgroepen met ouders en kinderverzorgers omtrent hoe de eetontwikkeling van jonge kinderen te ondersteunen.

Tijdens de interventie werd de procedure van Anzman-Frasca et al. (2011) gevolgd. Deze omvat een pretest; een drie wekendurende manipulatie (exposure(+stimuli) interventie bestaande uit 9 proefsessies), een posttest en een follow-upmeting. De bereidheid tot proeven en de appreciatie (gemeten via visuele schalen – via gezichtjes) zijn de afhankelijke variabelen tijdens de proefsessies. Tijdens de pre-, post en follow-up meting wordt ook de inname van de groente gemeten. Als kindkenmerk wordt beloningsgevoeligheid (Reward Sensitivity; RS) meegenomen. Kinderen met een gevoeligheid hiervoor detecteren meer signalen van beloning in hun omgeving en ervaren meer positieve emoties in situaties waar veel beloning aan verbonden is. Dit temperamentskenmerk wordt gemeten aan de hand van de BIS/BAS vragenlijst (Carver & White, 1994), ingevuld door zowel ouders als kinderverzorgsters

Met deze studie willen de onderzoekers kennis verwerven omtrent (1) het verloop van een proefproces bij jonge kinderen en of dit sneller verloopt wanneer het kind blootgesteld wordt aan positieve stimuli (vergeleken met blootstelling alleen en een controlegroep) en (2) of en hoe RS als individueel kenmerk gerelateerd is aan dit proces

Deze inzichten kunnen leiden tot nieuwe interventies om de bereidheid tot proeven te doen toenemen in afstemming op individuele kenmerken van kinderen.

Referenties

Anzman-Frasca S, Savage JS, Marini ME, Fisher, JO & Birch LL (2012). Repeated exposure and associative conditioning promote preschool children’s liking of vegetables. Appetite, 58(2), 543-553.

Carver C & White T (1994). Behavioral inhibition, behavioral activation, and affective responses to impending reward and punishment – The BIS BAS scales. J Pers Soc Psychol, 67(2), 319‐333.

Middelenmisbruik en verslaving in de DSM 5


auteur: Caroline Braet

 

Een 19-jarige jongen uit Engeland was zo geobsedeerd door het nemen van de perfecte foto van zichzelf met zijn mobiele telefoon, dat het hem bijna fataal werd. De jongen maakte tien uur per dag selfies. Het maken van de perfecte foto dreef hem zo ver dat hij een poging deed zichzelf te doden. Het maken van een goede selfie deed deze jongen naar eigen zeggen om aandacht te krijgen van meisjes. Hij viel af om er beter uit te zien en vertoonde agressief gedrag tegen zijn ouders wanneer ze hem vroegen te stoppen met het maken van de foto's. Door zijn overdreven ‘passie’ was hij  gestopt met schoolgaan. Maar, niet alleen zijn leven vernauwde, hij raakte ook zijn vrienden kwijt. In een drastische poging te ontsnappen aan de selfie-obsessie, nam de jongen een overdosis. Hij werd op tijd gevonden door zijn moeder. Volgens bronnen  is hij inmiddels behandeld in een psychiatrische kliniek. Volgens de psychiaters wordt zijn probleem erkend als een geestelijke ziekte. Bedoelt men hiermee een nieuwe stoornis of zou men denken aan een bestaande? Het constant nemen van selfies kan best worden gezien als een verslaving, vergelijkbaar met alcohol- en drugsverslaving. Het grote verschil is dat er geen ‘psychoactief middel’ is waaraan men verslaafd wordt. Maar, dit kan (zie Wiers, 2014). Volgens recente neurobiologische theorieën van verslaving is vooral de aanpassing in de hersenen (neuroadaptatie) als gevolg van één verslavingsgedrag dat een belangrijke rol speelt: de sensitisatie. Mensen zouden verschillen in de mate dat ze snel te sensitiseren zijn. Sensitisatie kan ook generaliseren over verschillende domeinen, wat iemand die ooit verslaafd was, meer kans geeft om aan iets anders verslaafd te worden. Daarom wordt volgens Wiers & Engels in de DSM 5 nu al internet- seks- en gokverslaving opgenomen, ook al zijn er geen psychoactieve middelen mee gemoeid.


Wiers, R. & Engels, R. (2014). Middelenmisbruik en verslaving. In: Prins, P., & Braet, C. (Red.). Handboek Klinische Ontwikkelingspsychologie, Revisie, Houten: Van Loghum

Eetstoornissen in de nieuwe DSM-5 versus de DSM-IV:

Wat is gewijzigd voor Bulimia Nervosa (BN) en Binge Eating Disorder (BED)?

 

auteur: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

De belangrijkste wijziging bij Bulimia Nervosa is dat het frequentiecriterium (dit is het aantal keer dat eetbuien en compensatiemaatregelen gerapporteerd moeten worden om te kunnen spreken van een stoornis) van minstens twee keer per week naar minstens één keer per week veranderd is. Uit de literatuur bleek immers dat klinische karakteristieken van individuen die een lagere frequentie rapporteren gelijk waren met deze van individuen die deze gedragingen minstens twee keer per week rapporteren. Verder bleek dat het niet-purgerende subtype vele gelijkenissen vertoont met individuen met BED. Bovendien bestond onduidelijkheid omtrent de definiëring van de niet-purgerende compensatoire gedragingen. Het specificeren van subtypes van BN (purgerend en niet-purgerend) werd daarom verwijderd.

Eén van de grootste wijzigingen ten opzichte van de DSM-IV betreft het feit dat Binge Eating Disorder in de DSM-5 formeel opgenomen wordt als eetstoornis, gebaseerd op resultaten uit literatuuronderzoek die de klinische bruikbaarheid van deze diagnose ondersteunen. Wat de criteria betreft vond slechts één wijziging plaats ten opzichte van de BED-onderzoekscriteria die in de appendix van de DSM-IV beschreven werden: zo werd het frequentiecriterium gelijkgesteld met het frequentiecriterium van BN.

 

(deel 1: Wat is gewijzigd voor Anorexia Nervosa? kan u lezen bij de blogberichten van oktober 2013)

auteur: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Ethiek in de kliniek.  Het rijmt maar het behelst zo veel meer dan de woorden op zich.  In december 2013 vond er opnieuw een boeiende plenaire stageterugkomdag plaats voor onze gemotiveerde studenten die momenteel stage lopen.  Studenten die in verschillende settings ervaring opdoen, met verschillende doelgroepen en verschillende contexten.  Echter, ethisch handelen doe je altijd en overal en niet enkel in een ziekenhuis.  Het idee groeide om dit thema voor de studenten dieper uit te werken zonder dat het te beladen of zelfs belerend werd.

In elke gevangenis, in elke kazerne en in elk ziekenhuis kan je een beroep doen op de aalmoezenier, een priester die mensen geestelijk bijstaat.   Bert Vanderhaegen is al zeventien jaar als hoofdaalmoezenier verbonden aan het Universitair Ziekenhuis in Gent, hij werkt er dag en nacht op een campus met meer dan duizend bedden. Hulpverleners dragen hem op handen, hij is een gemotiveerd spreker maar vooral, hij heeft veel wijsheid en ervaring in pacht die hij geamuseerd deelt maar ook graag in dialoog brengt.  Bert is pluralistisch ingesteld, staat dicht bij iedereen en vlot aanspreekbaar. Verschillende redenen om hem uit te nodigen aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent!

Na een korte theoretische inleiding over bioethiek, klinische ethiek, toetsingscommissies en begeleidingscommisies namen we ruim de tijd om een aangrijpende casus uit te diepen.  Elke waarde kent een tegen-waarde.  We leerden feiten, buikgevoelens en onderliggende waarden te identificeren en in te kaderen met oog voor elke betrokkenen om tot slot vat te krijgen op de ethische rationale.  Kortom, de ochtend was één van actieve bewustwording, straalde engagement, enthousiasme en goesting uit.  Dit smaakt naar meer!

Via deze weg willen we Bert nogmaals bedanken voor zijn gedreven bijdrage en kijken we stiekem al uit naar volgend academiejaar om hem opnieuw te mogen verwelkomen.

Auteur Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

Met een zekere trots kunnen we melden dat enige maanden geleden het vernieuwde STOP4-7 handboek boven de doopvont is gehouden.

STOP4-7 is een effectief bevonden methodiek om jonge kinderen (tussen 4 en 7jaar oud) met gedragsproblemen, en hun ouders/leerkrachten te helpen. Deze methodiek is ontwikkeld door medewerkers van onze vakgroep (Wim De Mey en Els Merlevede) samen met hun collega's van het STOP-team. In 2005 was een eerste versie reeds op de markt gekomen, nadat er vooral in Nederland interesse was gegroeid om met onze methodiek aan de slag te gaan. Op aansturen van minister Vervotte is dan gestart met de implementatie van STOP4-7 in de CKG's (Centra voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning) van Kind&Gezin. Sinds 2007 wordt deze methodiek om 14 plaatsen in Vlaanderen aangeboden (zie www.stop4-7.be). Sinds de start wordt ook onderzoek uitgevoerd op deze methodiek in Vlaanderen en Nederland (www.stop4-7.nl). Op deze laatste website worden de recentste Nederlandse resultaten gepubliceerd.

Op basis van dit onderzoek en recentere literatuur werd besloten om de methodiek bij te sturen en te upgraden. Het handboek zijn nu vier handboeken aangeboden in een box. In het eerste deel wordt de theoretische onderbouwing uit de doeken gedaan (emotieregulatie krijgt hierin een duidelijke plaats). De drie andere boeken zijn de zeer concrete handleiding voor de drie groepstrainingen: sociale vaardigheden voor de kinderen en opvoedingsvaardigheden voor ouders en leerkrachten.

De onderzoeksresultaten en de sterke theoretische onderbouwing hebben ervoor gezorgd dat deze methodiek ook terug te vinden is op de website van het Nederlands Jeugdinstituut (databank effectieve jeugdinterventies). Binnenkort zal onze status daar aangepast worden tot 'eerste (of zelfs goede) aanwijzingen voor effectiviteit'. Deze status is nog slechts aan enkele methodieken toegekend. Bovendien wordt onze methodiek expliciet genoemd als een modelprogramma op de website www.richtlijnenjeugdzorg.nl waat het de richtlijnen betreft in het werken met jonge kinderen met ernstige gedragsproblemen.

Auteur: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Het najaarscongres van de Vereniging voor Gedragstherapie en Cogitieve Therapie “Back tot the future -  de toekomst van de cognitieve gedragstherapie -  ging door op 13-14-15 november 2013 in Veldhoven. Dit congres werpt een blik in de toekomst: op welke manier veranderen technologische ontwikkelingen zoals internet, gaming, tablets, smartphones, apps, youtube, nieuwe medicatie….  onze cognitieve gedragstherapie? Vier keynotes belichtten deze thema’s: internet behandelingen (Pim Cuyjpers), moderne CGt en therapie versterkende medicatie (Stefan Hofmann), computergestuurd meten en behandelen (Peter de Jong) en virtual reality (Paul Emmelkamp). Daarnaast was er een mooi aanbod van ‘meet the expert’-sessies, workshops, symposia en posters. Ik kon deelnemen aan een symposium met als titel: ‘Recente technologische ontwikkelingen in de diagnostiek en behandeling van verstoord eetgedrag: fata morgana of toekomstmuziek?’ georganiseerd door Renate Neimeijer van de  Universiteit van Groningen. Hierbij kwam cognitieve bias modificatie als nieuwe behandeling bij anorexia nervosa en een smartphone zelfobservatie applicatie voor overeten aan bod. Ik bracht onze ‘Brian’ studie: executieve functietraining met spelelementen voor het stimuleren van zelfcontrolevaardigheden bij obese kinderen, gepubliceerd in Behaviour Research and Therapy.

Als kers op de taart werd Caroline tijdens dit congres ook in de bloemetjes gezet! Zij mocht op vrijdag het erelidmaatschap van de vereniging  ontvangen. Deze eer is voor diegene die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de ontwikkeling of uitvoering van de cognitieve gedragstherapie. Proficiat Caroline!

Voor mij was het de eerste keer dat ik aanwezig was op dit congres en ik voel er veel voor om volgend jaar terug te keren: het was een boeiend, gezellig en goed verzorgd congres!  

Auteur: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Een kleine primeur. Dit academiejaar wordt door alle drie de vakgroepen die het opleidingsonderdeel ‘Stage en deontologie’ binnen de klinische psychologie Ugent aanbieden,  hetzelfde systeem gehanteerd voor de toewijzing en administratie rond stage: STAR.

STAR, zo lezen we bij opstart via www.star.ugent.be, is “het online STAgeRegistratriesysteem dat studenten aan de Universiteit Gent en hun begeleiders, moet ondersteunen bij het lopen en inrichten van stage. STAR focust hierbij op de administratieve ondersteuning en vereenvoudiging.”

De voorbije maanden gingen verscheidene overlegmomenten met de stagecoördinatoren van de drie vakgroepen en met Kris Eerauw, de beleidsmedewerker die STAR beheert vanuit de dienst Onderwijsondersteuning van onze faculteit, vooraf. Afstemmen van inhoudelijke noden en technische mogelijkheden was hierbij de boeiende evenwichtsoefening.

De zomermaanden vulde ik ondertussen met het updaten en overbrengen van de gegevens van onze eigen stage-tool naar het STAR systeem.  Zo namen we geleidelijk afscheid van de stage-tool van onze vakgroep,  opgestart door mijn voorgangster Eva Vandevivere en onze IT collega Steven Vandenhole, om de overstap te maken naar het gezamenlijke systeem STAR. Hierbij toch wel een gepast woord van dank voor al het werk dat beide collega’s reeds maakten bij deze administratie!

Begin oktober konden onze studenten het aanbod van stageplaatsen binnen elke vakgroep bekijken, om daarna hun voorkeuren in te brengen. Dit diende ook via STAR te gebeuren, waarbij de traditie van de “papieren” sollicitatiebrief binnen onze vakgroep werd losgelaten. Een motivering in een digitaal veld kwam in de plaats en leidde tot heel uiteenlopende vormen en lengten van motivering.

In een volgende stap volgde de interne puzzel om een stageplaats te gaan “toewijzen” aan een student. Hierbij vertoonde STAR best wel voordelen.  De ene vakgroep had al wat meer geluk in de puzzelstukken dan de andere, doch uiteindelijk zal vanavond met een gelijktijdig afgestemde druk op de “digitale knop” de toewijzing aan de studenten bekend gemaakt worden.  Spannend… zowel voor de studenten als voor ons…

Voor onze vakgroep hebben we in de huidige fase 72 studenten die stage willen lopen vanuit onze Klinische OntwikkelingsPsychologie. Heel wat KLOPPERS in opleiding dus!

Na de toewijzing volgen er nog andere stappen: de mailing die we vanuit STAR naar de mentoren dienen te doen om de toegewezen kandidaat-stagiair aan te bevelen, het afwachten van het resultaat van de sollicitatiegesprekken, het zoeken van alternatieven wanneer de student niet op de stageplaats terecht kan, het tijdig en correct afronden van de administratie…

Ja, stagetoewijzing: een klein onderdeeltje van de hele opleiding tot klinisch psycholoog, maar best boeiend!  Bedankt alvast aan alle collega’s binnen en buiten de vakgroep voor de samenwerking!

auteur: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Drop-out binnen wetenschappelijk onderzoek is ieder van ons welgekend.   Echter, iedere klinisch psycholoog kent ook vroegtijdige uitval binnen de begeleiding van cliënten, ook ervaren psychologen.  Absolute cijfers zijn hierrond nauwelijks gekend, maar aangenomen wordt dat bij schatting een op drie cliënten vroegtijdig afhaakt binnen de behandeling (Hansen et al., 2002).  Ondanks het veelvuldig afhaken van cliënten binnen psychotherapeutische behandelingen is hierover betrekkelijk weinig aandacht in de literatuur en rust er in de klinische praktijk een taboe op het communiceren over onsuccesvolle behandelingen.  Evidence-based en protocollair werken is anno 2013 een must.  De voorbije jaren zijn er een aantal naslagwerken verschenen die voor verschillende psychische aandoeningen zowel voor kinderen, adolescenten als volwassenen handvaten bieden.  Ondanks de zorgvuldige toepassing van deze protocollen blijkt in het klinisch werkveld dat cliënten onvoldoende profiteren van deze behandelingen.  Recent verscheen bij uitgeverij Boom, onder redactie van Paul Emmelkamp en Kees Hoogduin het boek ‘Van Mislukking naar succes in de psychotherapie’. Deze publicatie biedt richtlijnen om weigering van behandeling, drop-out, non-responders, terugval en onsuccesvolle behandelingen te voorkomen.  Verschillende KLOP-collega’s werkten aan het boek mee.  Ieder van ons ging op zoek naar casussen die moeizaam liepen, ons aan het twijfelen brachten of waarbij we met de handen in het haar zaten of onze slaap voor lieten.  Naast het uitwisselen van ervaringen en uitdagingen heeft het ons ook als individuen dichter bij elkaar gebracht.  Over succes gesproken!  Dank aan Caroline, Ann, An, Lien en Ellen voor de fijne samenwerking en het vloeiend combineren van de klinische praktijk en de theoretische onderbouwing.

Het boek is te verkrijgen bij uitgeverij Boom (ISBN 978 94 6105 015 1) of meer info via www.boompsychologie.nl.

Uitdagingen en hindernissen in de behandeling van eetstoornissen


auteur: Kim Van Durme

 

Op dinsdag 15 oktober vond het derde congres van de Vlaamse Academie voor Eetstoornissen (VAE) plaats, een dag volledig in het teken van: ‘uitdagingen en hindernissen in de behandeling van eetstoornissen’. Na een welkomstwoord van de ondervoorzitter, Prof. Dr. Vervaet, werd het voormiddagprogramma gevuld door 4 boeiende keynote lezingen. Dr. Vanderlinden nam de start met een lezing omtrent de uitdagingen in de behandeling van eetstoornissen met ernstige traumatisering, gevolgd door Dr. Dalle Grave die een stand van zaken gaf omtrent het gebruik van cognitieve gedragstherapie in de behandeling van eetstoornissen (CBT-E). De pauze werd gevolgd door Prof. Eisler, een lezing waar ik persoonlijk het meeste naar uitkeek gezien we onlangs zelf een hoofdstuk schreven over familietherapie (FBT) bij Anorexia Nervosa met onze KLOP-groep. In deze keynote ging Prof Eisler dieper in op de obstakels en uitdagingen van het gebruik van familietherapie (FBT) bij eetstoornissen. Dr. Tielens zorgde vervolgens voor de afsluiter voor de lunch, met zijn bijzonder entertainend onderhoud over het gebruik van gesprekstechnieken bij psychose en de mogelijke overeenkomst met eetstoornissen.

Gedurende de lunchpauze was er ruimte om een blik te werpen op een aantal posterpresentaties met betrekking tot eetstoornissen. Dit moment werd later gevolgd door de uitreiking van de posterprijzen door de Vlaamse gemeenschap. Mijn verbazing was alvast groot toen ik als winnaar naar voren kwam tijdens deze uitreiking met mijn poster getiteld: ‘The role of insecure attachment and maladaptive emotion regulation in adolescent girls with restrictive Anorexia Nervosa‘. Een heel leuke motivatie om het nieuwe academiejaar vol goede moed aan te vangen. Verrassend genoeg werden ook de tweede en derde prijs toegekend aan Gentse onderzoeksters, met name aan Annelies Matton met haar poster: ‘The role of specific environmental factors on self-esteem in the association between temperament and eating problems’, en Liesbet Boone met haar poster: ‘The impeding role of self-critical perfectionism on therapeutic alliance during treatment and eating disorder symptoms at follow-up in patients with an eating disorder‘.

Gedurende de rest van de middag konden er twee workshops gevolgd worden naar gelang persoonlijke voorkeur. Ik volgde als eerste een workshop van Mark Luyten over ‘Burn-out bij hulpverleners van eetstoornissen: ook waterdragers hebben dorst’. Hier leerde ik alvast hoe ‘collegialiteit’ een duidelijke beschermende factor vormt tegen burn-out bij hulpverleners die werken met deze problematiek, was leuk om te horen! Als afsluiter van de dag volgde ik een workshop van Prof. Dr. De Wachter over ‘ethische kwesties in de behandeling van eetstoornissen’ waarin een aantal hedendaagse uitdagingen met betrekking tot de behandeling aan bod komen, zoals euthanasie bij chronische anorexia en het gebruik van sms, e-mail doorheen de behandeling,… Kortom, het was een congres met een heel gevarieerd aanbod waarvan ik zeker bepaalde elementen zal meenemen zowel binnen mijn verdere onderzoek alsook binnen de klinische praktijk.

En we kijken alvast uit naar volgend jaar…

Groeten,

Kim Van Durme

Een onderdompeling in de state of the art van het cognitief-gedragstherapeutisch onderzoek

 


auteurs: Kim Van Durve, Eva Vandevivere en Laura Wante

 

 

Met een deel van de vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids-, en Sociale Psychologie trokken wij eind september naar het 43ste jaarlijks congres van de European Association for Behavioural and Cognitive Therapies, kortweg EABCT, te Marrakech. Het wetenschappelijke programma van het congres bestond uit diverse thema's die de 'state of the art' representeren met betrekken tot de theorie, praktijk en het onderzoek op vlak van cognitieve gedragstherapie. Ook onze groep was veelvuldig aanwezig op het programma. Wim (de Mey) bracht zijn workshop omtrent cognitieve gedragstherapie voor kinderen van 4-7 jaar met externaliserende problemen. Caroline, Laura (Wante) en Eva verzorgden een symposium over de mechanismen onderliggend aan de ontwikkeling van depressieve symptomen. Recente data betreffende de relatie tussen emotie-regulatie strategieën, cognitieve controle en gehechtheid enerzijds en de ontwikkeling van depressieve symptomen anderzijds werden gepresenteerd. Kim bracht vernieuwde resultaten omtrent het longitudinale verband tussen onveilige gehechtheid en eetpathologie met hierbinnen het mediërende verband van maladaptieve emotieregulatie. Tot slot verzorgden Laura en Eva de workshop 'Pak aan: een cognitief-gedragstherapeutisch programma voor kinderen met depressieve symptomen'.

 

Naast onze eigen bijdrage, volgden we met veel leergierigheid tal van symposia en keynotes. Een integratief beeld rond de diverse uitingsvormen van eetstoornissen gelinkt aan temperamentfactoren (Prof. L. Claes), een state of the art over de rol van cognitieve factoren bij de ontwikkeling en instandhouding van angst- en stemmingsstoornissen (Prof. E. Koster) en het effect van mindfulness op het executief functioneren (Prof. S. Bögels) werden op boeiende manier gebracht. Daarnaast werden tal van vernieuwde design voorgesteld (o.a. E. Möller en K. Lester) en was er plaats voor de rol emotie-regulatie in de ontwikkeling van psychopathologie (o.a. M. Berking). Het congres werd afgesloten door een vrij emotioneel gebrachte keynote van Prof. Leahy omtrent emotionele schema's.

 

Naast alle wetenschappelijke indrukken, werden we ook overvallen door de schoonheid van het land, de drukte van het Djemaa el Fna-plein en de Marokkaanse gerechten en specerijen.

Mijn naam is Nienke Jonker en ik ben Research Master student aan de Universiteit van Groningen in de richting clinical psychology. Ik zit momenteel in mijn tweede master jaar en ik ben bezig met mijn masterthese. Naast deze these zijn mijn supervisor (Prof. Peter de Jong) en ik bezig aan een aanvraag voor een beurs (Toptalent NWO) om de komende drie jaar onderzoek te doen naar reward en punishment sensitivity en de (on)mogelijkheid om voedingsinname te controleren.

Voor mijn masterthese onderzoek ik de relatie tussen aandachtsbias voor reward en BMI. Dit gaan wij doen met data die verzameld zijn in de Tracking Adolescent’s Individual Lives Survey (TRAILS) wat een hele grote longitudinale studie is van kinderen (ondertussen jong-volwassenen) in de Noord-Nederlandse provincies. Binnen de onderzoeksgroep Klinische Ontwikkelingspsychologie aan de UGent wordt ook onderzoek gedaan naar de relatie tussen reward sensitivity en BMI, en in één van de lopende studies wordt ook gebruik gemaakt van data van TRAILS. Ik ben hier naar toe gekomen allereerst omdat hier in Gent veel kennis is omtrent reward sensitivity en er hier ook veel onderzoek naar wordt gedaan in de context van gewicht. Daarnaast ben ik hier om te overleggen over deze twee TRAILS studies. Ik heb een hele leuke en interessante paar dagen gehad en veel nieuwe dingen gehoord en handige tips gekregen. We maakten een eerste start aan een gezamelijk paper rond het meten van reward sensitivity. Daarnaast heb ik leuk kunnen meedenken in de studies die hier worden gedaan en heb ik natuurlijk leuke mensen ontmoet J.

 

Eetstoornissen in de nieuwe DSM-5 versus de DSM-IV:

Wat is gewijzigd voor de diagnosticering van Anorexia Nervosa?

auteur: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

In kader van de publicatie van de vijfde editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5; www.dsm5.org) werden op basis van een grondige revisie van reeds bestaande evidentie enkele aanpassingen gedaan van de DSM-IV criteria (Walsh, 2009a; 2009b).  Met deze aanpassingen beoogt men de validiteit en bruikbaarheid van de categorieën te vergroten zowel op klinisch als op empirisch vlak. Een eerste globale wijziging betreft het feit dat in de DSM-5 de oorspronkelijke DSM-IV categorieën van ‘Eetstoornissen’  en ‘Voedings- en eetstoornissen die meestal voor het eerst op zuigelingenleeftijd, vroege kindertijd of adolescentie gediagnoticeerd worden’ werden samengevoegd tot de categorie ‘Voedings- en Eetstoornissen’. Volgende stoornissen behoren nu tot deze nieuwe categorie: Pica, Ruminatiestoornis, Vermijdende/restrictieve voedselinname stoornis, Anorexia Nervosa (AN), Bulimia Nervosa (BN), Binge Eating Disorder (BED) en tenslotte Andere specifieke en onspecifieke Voedings- of Eetstoornissen. In onderstaande paragraaf zullen we focussen op de wijzigingen op het gebied van Anorexia.

Anorexia Nervosa

In het verleden was er vaak onduidelijkheid met betrekking tot het vooropgestelde gewichtscriterium bij AN,  waarbij het voorbeeld van lichaamsgewicht minder dan 85% van het te verwachten gewicht  veelal als standaard gebruikt werd (criterium A). Deze ‘standaard’ is echter arbitrair en houdt geen rekening met de bouw of gewichtsgeschiedenis van een individu. Volgens de nieuwe criteria dient de clinicus zelf te oordelen of het gewicht van de patiënt ongepast laag is, en dit rekening houdend met alle hiervoor relevante info. Het voorbeeld werd dus geschrapt. Daarnaast werd de term weigering vervangen door de term  restrictie. Weigering heeft namelijk een negatieve bijklank en verwijst naar een intentie waardoor dit moeilijk accuraat te bevragen is. Restrictie wordt omschreven als gedrag van het individu om energie-inname te beperken zoals bevraagd via de geschiedenis, observatie en informatie van anderen (bv. familieleden). Het nieuwe criterium ziet er dan ook als volgt uit: “Restrictie van energie-inname relatief ten opzichte van benodigdheden wat leidt tot significant laag lichaamsgewicht rekening houdend met leeftijd, geslacht, ontwikkelingsfase en fysieke gezondheid. Een significant laag gewicht wordt gedefinieerd als een gewicht dat lager is dan normaal, of voor kinderen en adolescenten, lager is dan minimaal verwacht wordt.”

In criterium BIntense angst om in gewicht toe te nemen of dik te worden, of persistent gedrag dat gewichtstoename belet, terwijl er net sprake is van een significant laag gewicht is de term ondergewicht vervangen door significant laag gewicht en wordt de focus gelegd op persistent gedrag dat gewichtstoename belet in plaats van persistent gedrag om gewichtstoename te vermijden, aangezien deze laatste eigenlijk impliceert dat men de motivatie van het individu kent. Criterium C omtrent de zelfevaluatie blijft ongewijzigd. Criterium D met betrekking tot afwezigheid van drie opeenvolgende menstruele cycli bij post-menarchale meisjes verdwijnt in DSM-5 aangezien dit criterium niet toegepast kon worden bij pre- en post-menarchale vrouwen, bij vrouwen die anticonceptiva nemen of bij mannen.

Bij het specificeren van het subtype wordt het onderscheid tussen het beperkende type enerzijds en het vreetbuien/purgerende type anderzijds behouden, maar aangezien er vaak cross-over optreedt tussen de subtypes wordt de huidige episode van AN vervangen door gedurende de voorbije drie maanden, dit naar analogie met het tijdsframe bij BN en BED.

(in een volgende blogpost leest u over de wijzigingen bij andere eetstoornisdiagnoses)