Archief blog ontwikkelingspsychologie

Hoe gaan mensen om met een gevoel van falen? Blijven ze werkelijk bij de pakken zitten of reageren ze juist strijdlustig? Vechten ze terug of laten ze zich eerder ontmoedigen?

Deze vragen konden maar weinig onderzoekers tot op heden bekoren en kregen geringe aandacht binnen de motivatieliteratuur. Daarom werpt deze tekst een blik op hoe mensen dergelijke gevoelens aanpakken en welke rol veerkracht hier in speelt. Doorheen deze tekst laten we ons gidsen door de resultaten van een experimentele studie die werd uitgevoerd aan de Universiteit Gent.

We blijven niet steeds bij de pakken zitten: het herstellend vermogen van veerkracht./algemene psychologie
Wat doet feedback met mijn competentie?

Het begrip ‘competentie’ verwijst binnen de psychologie naar je eigen kunnen. Het is de mate waarin je de doeltreffendheid van je eigen gedrag ervaart. Volgens de Zelf-Determinatie Theorie (ZDT; Deci & Ryan, 2002) is competentie één van de drie psychologische basisbehoeften, naast autonomie en verbondenheid, die noodzakelijk zijn voor persoonlijke groei en de mentale gezondheid van de mens. Wanneer mensen zich in staat voelen een vooropgesteld doel te bereiken en hierdoor in hun eigen capaciteiten geloven, wordt de innerlijke behoefte aan competentie bevredigd. Jammer genoeg botsen mensen nu en dan op situaties in het leven waarin ze zich eerder gefaald en incompetent zullen voelen. Een
voorbeeld hiervan is het krijgen van negatieve feedback (bv. “Jouw prestatie was ondermaats!”).

Onderzoek naar de ZDT buigt zich de laatste decennia over de vraag hoe feedback inspeelt op onze behoefte aan competentie. Zo toonden vele studies aan dat het geven van positieve feedback onze behoefte aan competentie ondersteunt, terwijl negatieve feedback eerder hinderend werkt. Deze bevindingen werden ook teruggevonden in een experimentele studie waarin deelnemers een tangram puzzeltaak moesten oplossen. Wanneer zij achteraf te horen kregen dat hun prestatie ondermaats was en hun score onder die van hun leeftijdsgenoten lag, werden meer gevoelens van twijfel en incompetentie gerapporteerd. Deze groep werd vergeleken met twee andere groepen: een groep die geen feedback kreeg en een groep die positieve feedback kreeg. Deze laatste groep rapporteerde dan ook meer zekerheid van hun eigen kunnen. Echter, tot op heden is het onduidelijk hoe mensen met gevoelens van incompetentie omgaan. Hiervoor benaderden we in het onderzoek het begrip‘veerkracht’.

Veerkracht: “What doesn’t kill you, makes you stronger!”
Veerkracht is een generieke term die gebruikt wordt om mensen te beschrijven die bijzonder adaptief reageren op egatieve gebeurtenissen in het leven. Veerkrachtige mensen halen kracht uit een periode van stress en getuigen van een groot aanpassingsvermogen na een tegenslag. Zo hanteerden bijvoorbeeld veerkrachtige atleten meer taak- en doelgerichte strategieën na een slechtere prestatie in vergelijk met niet-veerkrachtige atleten (Secades, et al., 2016). In de huidige studie maakten veerkrachtige deelnemers een herstelbeweging in hun competentie na het krijgen van negatieve feedback. Hun gevoelens van incompetentie daalden naargelang het experiment vorderde. Zij bleken zich actief aan te passen aan de tegenslag die zij hadden ervaren. De vraag bleef echter open op welke manier veerkracht tot dit herstel leidde. We benaderden hiervoor twee verschillende aspecten van veerkracht. Hoe veerkracht onze aandacht en ons gedrag stuurt.

Het eerste aspect verwijst naar de invloed van veerkracht op hoe mensen de wereld waarnemen. Binnen onze perceptie zijn we niet in staat om alle informatie in onze omgeving tegelijkertijd te verwerken. Daarom richten onze hersenen zich op selectievere informatie via aandachtsprocessen. Echter is aandacht niet onafhankelijk en is het voortdurend onderworpen
aan verschillende invloeden. Bijvoorbeeld reageerden hongerige participanten sneller op foto’s van voedsel ten opzichte van participanten die net hadden gegeten (Mogg, et al., 2016). Er ontstaat dus een aandachtsvertekening voor datgene wat het individu tekort komt. In het huidige onderzoek voerden deelnemers onmiddellijk na het krijgen van feedback een aandachtstaak uit. Via deze taak reageerden enkel veerkrachtige deelnemers, die negatieve feedback hadden gekregen, sneller op competentie-gerelateerde woorden (bv. capaciteit, kunnen) ten opzichte van de andere groepen. De tekortkoming in de behoefte aan competentie vertaalde zich bij veerkrachtige deelnemers in een aandachtsvertekening voor competentie.

De tweede meting verwijst naar een gedragsmatige uiting van veerkracht. Wanneer deelnemers voor enkele minuten alleen werden gelaten in het lab, observeerden we dat enkel veerkrachtige deelnemers, die na het krijgen van negatieve feedback, op eigen initiatief verder deden met de puzzeltaak. De resultaten wezen uit dat beide metingen adaptief bijdroegen aan een daling in de gevoelens van incompetentie. Dit betekent dat veerkrachtige personen door dit gedrag en door de aandachtsvertekening herstelden in hun gebrek aan competentie. Minder veerkrachtige deelnemers daarentegen vertoonden geen aandachtsvertekening en puzzelden minder verder. Zij vertoonden bijgevolg geen herstelbeweging in hun competentie.

Conclusie

Negatieve feedback vormt een ware hindernis voor mensen hun behoefte aan competentie. Veerkracht blijkt echter een adaptieve factor te zijn die ons toelaat op een adaptievere manier met negatieve gebeurtenissen om te gaan. In een experimentele studie vertoonden veerkrachtige mensen via een verhoogde aandachtsvertekening en via langer persisterend gedrag een herstel in hun competentie na het krijgen van negatieve feedback. Een volgende vraag is dan hoe veerkracht zich ontwikkelt? Indien veerkracht steunt op de psychologische basisbehoeften, toont dit het belang aan van een psychologisch behoefte-bevredigende omgeving in het omgaan met tegenslag. Zo is het mogelijk dat kinderen veerkrachtig worden wanneer ouders een behoefte-ondersteunde opvoeding hanteren. Anderzijds kan veerkracht verwijzen naar een momentane toestand. Zijn mensen enkel veerkrachtig indien zij negatieve feedback eerder als een uitdaging zien dan als een bedreiging? Onderzoek in de toekomst zal hier meer klaarheid kunnen brengen. In welke mate ben jij een veerkrachtig persoon? Denk na over onderstaande stellingen en stel jezelf de vraag hoe jij reageert op situaties, zoals het huidige voorbeeld van negatieve feedback. Misschien heb jij nog ideeën in welke contexten veerkracht een cruciale rol speelt?

Laat het ons alvast weten in de reacties.
Stelling 1: “Ik haal kracht uit periodes van stress”
Stelling 2: “Ik kan onplezierige en onaangename gevoelens aanpakken”
Stelling 3: “Ik ben geneigd mezelf op te veren na een periode van ellende”

Referenties

Deci, E.L. & R.M. Ryan (eds.) (2002). Handbook of Self-Determination Research. New York:
University of Rochester Press.
Mogg, K., Bradley, B. P., Harpfreet, H., & Lee, S. (2016). Selective attention to food-related
stimuli in hunger: are attentional biases specific to emotional and psychopathological
states, or are they also found in normal drive states? Behaviour Research and Therapy,
36, 227-237.
Secades, X. G., Molinero, O., Salguero, A., Barquin, R. R., de la Vega, R., & Màrquez, S.
(2016). Relationship between resilience and coping strategies in competitive sport.
Perceptual and Motor Skills, 122(1), 336-349.

Auteur

Joachim Waterschoot is student 2de master psychologie in de afstudeerrichting experimentele psychologie aan de universiteit Gent. Sinds het 2de bachelorjaar verdiept hij zich in de zelfdeterminatie theorie en interesseert hij zich in dergelijke objectieve metingen van de psychologische basisbehoeften, zoals de aandachtstaak. De studie die in het artikel werd beschreven voerde hij uit als onderdeel van zijn onderzoeksstage aan de vakgroep Ontwikkelingspsychologie onder de supervisie van professor Maarten Vansteenkiste.
 

 

Jochen Delrue UGent, Athanasios Mouratidis, Leen Haerens UGent, Gert-Jan De Mynck, Nathalie Aelterman UGent and Maarten Vansteenkiste UGent. Intrapersonal achievement goals and underlying reasons among long distance runners: Their relation with race experience, self-talk and running time. (2016) Psychologica Belgica.

 

  

Wie regelmatig aan sport doet kan al ervaren hebben dat het streven naar een doel je motivatie kan verhogen. Het bereiken van een doel geeft je namelijk een gevoel van competentie, een idee van "ik kan dit". Echter, het ene doel is het andere niet. Er zijn bijvoorbeeld doorwinterde lopers die hun competentie spiegelen aan dat van anderen en streven er dus naar om sneller te lopen of zeker niet trager te lopen dan die anderen (interpersoonlijke focus). Sommige lopers achten zich competent als ze voldoen aan de eisen van de taak en streven ernaar om de loopwedstrijd uit te lopen, of zeker niet af te haken (taakfocus). Een laatste groep lopers spiegelt zich aan hun eigen vorige prestaties en streeft ernaar om beter te doen of zeker niet slechter te doen dan voorheen (intrapersoonlijke focus). Het doel dat lopers vooropstellen geeft aan "Wat" wordt nagestreefd. Als het doel belangrijk genoeg is, geeft het energie en richting aan het streven.


Een tweede aspect van doelstreven is het onderliggende motief (het "Waarom") van het doel. Met andere woorden: wat is de reden om net dat doel na te streven? We kunnen twee soorten motieven onderscheiden. Enerzijds zijn er lopers die hun doel na streven omwille van het plezier, de uitdaging of het persoonlijk belang die ze eraan hechten. Deze lopers ervaren dat ze het doel willen nastreven (autonome motivatie). Andere lopers ervaren vooral druk om hun doel te bereiken (gecontroleerde motivatie). Deze lopers voelen dat ze hun doel moeten nastreven van zichzelf (op schuld of schaamte te vermijden) of van anderen (om goedkeuring te krijgen).


We benaderden in 2012 de deelnemers van de 20km van Brussel. We waren hoofdzakelijk geïnteresseerd in de langeafstandslopers met een intrapersoonlijke focus en zich dus spiegelden aan hun eigen vorige prestaties. Voor de wedstrijd vroegen we aan 245 van hen om de reden waarom ze dat doel nastreefden, om een inschatting te maken van hun looptijd en om aan te geven hoe ze uitkeken naar de komende wedstrijd. Eens na de wedstrijd vroegen we hen hoe ze de wedstrijd hadden ervaren; in welke mate ze een flowervaring hadden, hoe ze zichzelf tijdens de wedstrijd toegesproken hadden (i.c., Zelfspraak) en in welke mate hun psychologische basisbehoeften van autonomie, competentie en verbondenheid bevredigd waren (i.c., Behoeftebevrediging). Tenslotte konden we via de officiële webpagina van de wedstrijd hun exacte looptijd terugvinden.


We verwachtten dat de onderliggende redenen voor het doelstreven belangrijker zou zijn dan de inhoud van het doel zelf met betrekking tot hoe de lopers de wedstrijd ervoeren. Daarbovenop verwachtten we dat de lopers die hun doel nastreefden voor autonome redenen een positievere wedstrijdbeleving en prestatie zouden kennen dan lopers die druk ervoeren om hun doel na te streven (gecontroleerde redenen).


Over het algemeen ondersteunden de statistische analyses onze verwachtingen. Ten eerste bleek voor wat betreft de wedstrijdbeleving en prestatie dat de onderliggende redenen (het "Waarom") van het doel belangrijker waren dan het doel zelf (het "Wat"). Verder bleken de lopers met autonome redenen voor hun doel ambitieuzer in de voorspelling van hun looptijd en deze lopers realiseerden daarbovenop ook een snellere tijd in vergelijking met lopers die druk voelden omtrent hun doel. Autonoom gemotiveerde lopers ervoeren meer behoeftebevrediging en bijgevolg ook meer flow. Kortom: de lopers die met een gevoel van vrije wil aan de start kwam van de 20km van Brussel hadden een eenduidig positieve ervaring.


De wedstrijdbeleving van lopers die met druk aan de start kwamen daarentegen was eerder gemengd. De druk om hun doel te bereiken vertaalde zich in een perceptie van dreiging voor de wedstrijd en in het gebruik van enerzijds negatieve, maar ook positieve zelfspraak tijdens de wedstrijd. Deze positieve en negatieve zelfspraak resulteerde bijgevolg in respectievelijk meer of minder flowervaring.
Met anderen woorden, het lijkt erop dat de lopers die druk ervoeren voor het bereiken van hun doel tijdens de 20km naar zelfspraak grepen als mental tool om moeilijkheden te overbruggen. Die lopers die zichzelf positief toespraken verhoogden hun kans op een flowervaring, lopers die zichzelf negatief toespraken verlaagden die kans.


Anderzijds bleek dat de lopers voor wie hun doel een uitdaging was of er het plezier van in zagen (autonome redenen) vanaf het begin geabsorbeerd werden door het lopen en zo meer flow ervoeren. Zij hadden geen nood aan zelfspraak om hun moeilijkheden te overkomen.

Van der Kaap-Deeder, J., Soenens, B., Boone, L., Vandenkerckhove, B., Stemgée, E. & Vansteenkiste, M. (2016). Evaluative concerns perfectionism and coping with failure: Effects on rumination, avoidance, and acceptance. Personality and Individual Differences, 101, 114-119.

 

Evaluatieve zorgen-perfectionisme en coping 

 

Evaluatieve zorgen (EZ)-perfectionisme wordt gekenmerkt door een negatieve houding ten opzichte van zichzelf, waarbij zelf-evaluatie en zelfkritiek centraal staan. Mensen die hoog scoren op dit construct maken zich constant druk om fouten die ze (kunnen) maken en boren zichzelf de grond in wanneer ze het gevoel hebben hun beoogde, vaak hoge, standaarden niet behaald te hebben. Alhoewel heel wat studies door middel van vragenlijsten hebben aangetoond dat EZ-perfectionisme gepaard gaat met nadelige coping-stijlen (zoals rumineren) na aanleiding van een negatieve gebeurtenis, is er nog nauwelijks experimenteel onderzoek gedaan naar deze relatie. Zo’n experimenteel onderzoek is echter belangrijk om de causale relatie tussen EZ-perfectionisme en coping vast te stellen.

 

Wat waren de onderzoeksvragen? 

 

In deze studie bij 72 jonge volwassenen werd er middels een experiment gekeken naar de relatie tussen EZ-perfectionisme en coping met betrekking tot een faalervaring. Er werd verwacht dat individuen die hoog scoorden op EZ-perfectionisme minder goed in staat waren om op een adaptieve manier om te gaan met deze ervaring. Zo werd er verwacht dat zij, in vergelijking met individuen met een lagere score op EZ-perfectionisme, meer ruminatie en vermijding en minder acceptatie zouden vertonen.

 

Hoe verliep het onderzoek? 

 

Het onderzoek vond individueel plaats in het lab. Nadat deelnemers een toestemmingsverklaring hadden ingevuld, vulden zij ook nog een vragenlijst rondom EZ-perfectionisme in. Daarna werden de deelnemers willekeurig toegewezen aan de succes- of de faalconditie (n = 36 in beide condities). Het experiment bestond uit het maken van verschillende Tangram puzzels. Zo’n puzzels bestaan uit 7 stukken die juist gelegd moeten worden om zo bepaald figuren (bijv., een kat) na te maken. Allereerst kregen alle deelnemers de kans om te oefenen door 2 puzzels (1 makkelijke en 1 moeilijke) te maken, waarvoor zij in totaal 4 minuten de tijd kregen. De daaropvolgende testfase bestond uit het maken van 5 puzzels, die verschillend waren tussen de twee condities en waarvoor alle deelnemers 10 minuten de tijd kregen. De puzzels in de faalconditie waren een stuk moeilijker dan die in de succesconditie. Bovendien werd er tegen de deelnemers in de faalconditie gezegd dat de helft van hun leeftijdsgenoten in staat waren om 4 van de 5 puzzels juist en op tijd op te lossen, terwijl dit maar 1 van de 5 was in de succesconditie. Vervolgens vulden de deelnemers een aantal vragenlijsten in over hun gevoelens met betrekking tot de puzzeltaak (bijv., de ervaren competentie). Eén week na het experiment vulden de deelnemers een online vragenlijst is, waarbij er werd gepeild naar hun coping (ruminatie, vermijding, en acceptatie) met betrekking tot de puzzelervaring.

 

Wat waren de resultaten? 

 

Allereerst vonden we dat de manipulatie had gewerkt, aangezien deelnemers in de faalconditie zich meer incompetent, gespannen, en negatief voelden vergeleken met deelnemers in de succesconditie. Met betrekking tot onze voornaamste onderzoeksvragen vonden we dat deelnemers die hoog scoorden op EZ-perfectionisme meer ruminatie en minder acceptatie ervoeren na aanleiding van de faal- (maar niet de succes-) ervaring. Daarnaast vertoonden zij ook meer vermijding, zowel na de faal- als de succes-ervaring.

 

Wat kunnen we hieruit concluderen? 

 

Deze studie liet dus zien dat individuen die hoog scoren op EZ-perfectionisme meer kwetsbaar zijn voor nadelige gevolgen van faalervaringen. Het lijkt er op dat EZ-perfectionisme verder gevoed wordt door falen als nog meer negatief te zijn, waardoor negatieve zelfbeelden in stand gehouden kunnen worden. Deze resultaten hebben ook implicaties voor de praktijk. Meer specifiek lijken de bevindingen erop te wijzen dat individuen die erg zelfkritisch zijn baat zouden kunnen hebben bij therapieën die zelf-compassie benadrukken. In dergelijke therapieën staan namelijk drie concepten centraal, die mooi aansluiten bij onze bevindingen. Allereerst wordt er binnen een dergelijke therapie de nadruk gelegd op een onvoorwaardelijke en liefdevolle houding ten opzichte van zichzelf. Daarnaast wordt er ook benadrukt dat fouten maken menselijk is. Ten derde wordt er gesteld dat het belangrijk is om bewust stil te staan bij negatieve gebeurtenissen of zelf-aspecten, zonder zichzelf te veroordelen. Op deze manier kan de mate van acceptatie vergroot worden en kunnen nadelige copingstrategieën zoals ruminatie en vermijding gereduceerd worden.

Motivational dynamics underlying eating regulation in young and adult female dieters: relationships with healthy behaviours and disordered eating symptoms. Joke Verstuyf, Maarten Vansteenkiste, Barbara Soetens, & Bart Soenens

 

To cite this article: Joke Verstuyf, Maarten Vansteenkiste, Barbara Soetens & Bart Soenens (2016): Motivational dynamics underlying eating regulation in young and adult female dieters: relationships with healthy eating behaviours and disordered eating symptoms, Psychology & Health, DOI: 10.1080/08870446.2016.1143942

 

Het effect en de wenselijkheid van diëten ligt reeds enkele jaren onder vuur. Niet alleen blijken dieetpogingen zelden te resulteren in blijvend gewichtsverlies, ook kunnen er complicaties ontstaan zoals een verstoord eetpatroon. Toch blijken sommige mensen die pogingen ondernemen om hun eetgewoontes te veranderen, in staat te zijn om een gezondere eetstijl te ontwikkelen. In deze studie bekeken we we het motivatie-profiel van adolescente en volwassen diëters en van diëters met een gezond gewicht (18.5 < bmi < 24.99) en diëters met overgewicht (bmi>25). Ook gingen we na of de motivatie onderliggend aan het veranderen van de eetgewoontes een rol speelt in de verbanden met zowel gezonde eetgewoontes als met symptomen van verstoord eetgedrag.

 

Waarom diëten wij? 

 

In onze studie vroegen we aan 99 adolescente meisjes (leeftijd gemiddeld 18 jaar) en 98 volwassen vrouwen (leeftijd gemiddeld 45 jaar) om aan te geven waarom zij hun eetgewoontes willen veranderen. Hierbij konden ze aangeven of ze vooral omwille van hun gezondheid anders wilden eten of omwille van hoe ze eruit zien. Ook vroegen we hen in welke mate zij zich onder druk gezet voelen door hun omgeving of door gevoelens van schaamte om te diëten (gecontroleerde motivatie). Tenslotte konden ze ook aanduiden in welke mate ze het zelf echt waardevol vinden om te diëten of dat ze het eigenlijk wel leuk of uitdagend vinden om anders te leren eten (autonome motivatie).

 

Uit de grafiek blijken zowel adolescente als volwassen diëters het belang van de gezondheid voorop te stellen en dat er overwegend sprake is van een autonome motivatie. Wel is het opvallend dat de jongere diëters zich meer richten op hun uiterlijk en meer druk ervaren om te diëten in vergelijking met de volwassen diëters.

 

Vervolgens vergeleken we het motivatieprofiel op basis van gewicht. Hieruit bleek dat zowel diëters met overgewicht als diëters zonder overgewicht zich vooral richten op hun gezondheid. Uiterlijk is ook belangrijk, maar komt op de tweede plaats. Verder zien we ook dat de autonome motivatie bij diëters met een normaal gewicht belangrijker is dan ervaringen van druk om te diëten. Bij de diëters met overgewicht blijkt druk om te diëten daarentegen voorop te staan en dus een grotere motivatie te zijn dan persoonlijke zinvolheid en passie.

 

Maakt motivatie een verschil?

 

We vroegen aan alle diëters die deelnamen aan de studie om een week lang hun eetgewoontes bij te houden in een dagboek. Daarbij vulden ze vraagjes in naar de mate waarin ze gezonde en ongezonde voeding gegeten hadden die dag maar ook naar de mate waarin ze zich zenuwachtig of gespannen voelden rond hun eten en de mate waarin ze controle verloren over hoeveel ze aten (symptomen van verstoord eetgedrag). De antwoorden werden over de hele week samengenomen om zo een gemiddelde score op gezonde eetgewoontes en verstoord eetgedrag te bekomen.

 

Uit de resultaten bleek dat motivatie zeker een rol speelt. Diëters die vooral aan hun gezondheid wilden werken en die vooral zelf wilden diëten (autonome motieven) bleken doorheen de week gezonde eetgewoontes te vertonen. Er was geen verband met verstoord eetgedrag. Diëters die vooral aan hun uiterlijk wilden werken en de nadruk legden op druk (gecontroleerde motieven) bleken doorheen de week vaker symptomen van verstoord eetgedrag te vertonen. Er was geen verband met gezonde eetgewoontes.

 

Conclusie en implicaties

 

Uit deze resultaten kunnen we afleiden dat diëters die vooral aan hun gezondheid willen werken en autonoom gemotiveerd zijn meer kans hebben om een gezonde levensstijl te hebben. Diëters die de focus op hun uiterlijk en gecontroleerde motieven leggen, hebben meer kans om een verstoord eetpatroon te vertonen. In het bijzonder jongere diëters en diëters met overgewicht moeten hierbij nauw opgevolgd worden. Bij deze twee groepen bleek immers een meer risicovol motivatieprofiel aanwezig te zijn.

 

Als we ons de vraag stellen of we onze patiënten best wel of niet aanmoedigen om te diëten, dienen we dus niet volmondig ja of nee te antwoorden. De ja of nee is niet afhankelijk van (over)gewicht, zoals nu vaak gesuggereerd wordt, maar wel vanuit het waarom van het dieet. Veel van onze patiënten zijn op zoek naar een manier om zich beter in hun vel te voelen, om zich minder beschaamd te voelen of minder opmerkingen te krijgen vanuit hun omgeving. De vraag is dan of een dieet hier het juiste antwoord op is. Dit onderzoek suggereert van niet. Een dieet vanuit de "foute" motivatie kan net verstoord eetgedrag meer in de hand werken en nog maar eens leiden tot het gevoel te falen of mislukken. Bij deze patiënten die slecht in hun vel zetten en onder druk staan van hun omgeving, kan de nadruk meer gelegd worden op welzijn, op zich beter leren voelen in hun vel los van gewicht. Als de patiënt zich beter voelt over zichzelf, kan de weg geopend worden naar een autonome motivatie om gezonder te gaan leven.

Van der Kaap-Deeder, J., Smets, J., & Boone, L. (2016). The impeding role of self-critical perfectionism on therapeutic alliance during treatment and eating disorder symptoms at follow-up in patients with an eating disorder. Psychologica Belgica.

 

Zelf-kritisch perfectionisme: Nadelig voor de persoon zelf en voor anderen

 

Zelf-kritisch perfectionisme wordt gekenmerkt door een negatieve houding ten opzichte van zichzelf, waarbij zelf-evaluatie en zelf-kritiek centraal staan. Mensen die hoog scoren op dit construct maken zich constant druk om fouten die ze (kunnen) maken en boren zichzelf de grond in wanneer ze het gevoel hebben hun beoogde, vaak hoge, standaarden niet behaald hebben. Deze kritische, negatieve houding heeft niet alleen nadelige effecten op het persoonlijk functioneren, maar kan ook sociale relaties met anderen in de weg staan. Zo wordt er verondersteld dat zelf-kritisch perfectionisme gepaard gaat met een kritische en wantrouwende houding ten opzichte van andere personen. Eerder onderzoek bij patiënten met een depressie vond dan ook dat zelf-kritisch perfectionisme gepaard ging met een minder goede band met de therapeut.

 

Wat werd er onderzocht?

 

In deze studie bij 53 vrouwelijke patiënten met een eetstoornis, werd er gekeken naar de relatie tussen zelf-kritisch perfectionisme en de band met de therapeut. Dit werd onderzocht bij deze populatie, omdat eerdere studies uitwezen dat zelf-kritisch perfectionisme eetproblematiek, zoals lichaamsontevredenheid en eetbuien, in de hand kan werken. We veronderstelden dat een hoge score op zelf-kritisch perfectionisme gerelateerd zou zijn aan een minder goede band met de therapeut, wat dan weer een nadelige uitwerking zou hebben op de vooruitgang tijdens hun behandeling voor hun eetproblematiek.

 

Wat werd er bij wie gemeten?

 

Patiënten (gemiddeld 21 jaar oud), die allemaal een residentiële behandeling volgden, hadden voornamelijk te kampen met anorexia nervosa (25 hadden de diagnose anorexia nervosa-restrictieve type en 6 anorexia nervosa-purgerende type), terwijl 7 de diagnose bulimia nervosa en 15 de diagnose eetstoornis-niet anders omschreven hadden. Vragenlijsten werden afgenomen aan het begin van de opname (zelf-kritisch perfectionisme), na drie maanden (therapeutische band) en 1 jaar na de start van de behandeling (follow-up). Eetproblematiek (lichaamsontevredenheid, lijngedrag) werd op alle drie de momenten gemeten.

 

Wat waren de resultaten?

 

Een bemoedigend resultaat was allereerst dat er in het algemeen een significante daling was in eetproblematiek vanaf het begin van de opname tot 1 jaar later. Verder vonden we dat zelf-kritisch perfectionisme inderdaad een slechtere therapeutische band voorspelde (marginaal significant verband), maar dat er geen direct verband was met veranderingen in eetproblematiek. Wel werd er een indirecte relatie gevonden, waarbij zelf-kritisch perfectionisme via een slechtere therapeutische band gerelateerd was aan minder veranderingen in lichaamsontevredenheid (maar niet in lijngedrag).

 

Wat kunnen we hieruit concluderen?

 

Deze studie liet dus zien dat patiënten met een eetstoornis die hoog scoren op zelf-kritisch perfectionisme een minder goede band vormen met de therapeut, wat een goede vooruitgang in de behandeling in de weg kan staan. Voor hulpverleners is het dus belangrijk om hiervoor waakzaam te zijn en aandacht te hebben voor de mogelijkheid dat patiënten die hoog scoren op zelf-kritisch perfectionisme de hulpverlener eerder als kritisch kunnen ervaren en wantrouwend kunnen zijn in de relatie. Ook toont dit onderzoek de noodzaak aan om de kritische stem die zo op de voorgrond staat bij personen met een hoge mate van zelf-kritisch perfectionisme, een plaatsje te geven binnen therapie. Zo kunnen deze patiënten aangemoedigd worden om hun onvolkomenheden meer te accepteren en te erkennen dat fouten maken menselijk is.

Autonomy-Supportive Parenting and Autonomy-Supportive Sibling Interaction: The Role of Mothers' and Siblings' Psychological Need Satisfaction

 

Jolene Van der Kaap-Deeder, Maarten Vansteenkiste, Bart Soenens, Tom Loeys, Elien Mabbe & Rafael Gargurevich

 

Autonomie-ondersteuning houdt in dat de ouder het vrijwillig functioneren bij het kind zoveel mogelijk probeert te stimuleren, door bijvoorbeeld keuze aan te bieden en oor te hebben voor de interesses van het kind. Veel onderzoeken hebben inmiddels aangetoond dat autonomie-ondersteuning gerelateerd is aan diverse positieve uitkomsten, zoals doorzettingsvermogen en welbevinden. Twee vragen die nog minder aandacht hebben gekregen tot nu toe zijn: Waarom zijn sommige ouders beter in staat om deze autonomie-ondersteuning te verlenen dan andere ouders? En, werkt deze autonomie-ondersteuning aanstekelijk binnen het gezin in de zin dat andere gezinsleden ook eerder autonomie-ondersteunend gaan zijn t.o.v. andere gezinsleden? Deze twee vragen werden onderzocht bij 154 gezinnen waarvan de moeder en twee van haar kinderen, die beide nog naar de lagere school gingen, meededen.

 

Waarom zijn sommige ouders beter in staat om deze autonomie-ondersteuning te verlenen dan andere ouders?

Specifiek ging deze studie de relatie na tussen behoeftebevrediging bij de moeder en de mate waarin deze moeder autonomie-ondersteunend is ten opzichte van haar kind. Alhoewel er soms gesteld wordt dat goede ouders hun eigen behoeftes aan de kant schuiven, is het maar de vraag of dit ook effectief zo is. Vanuit de Zelf-Determinatie Theorie wordt er gesteld dat wanneer de psychologische behoeftes aan autonomie (zich psychologisch vrij voelen), competentie (zich succesvol voelen), en verbondenheid (zich geliefd voelen) voldaan zijn, dat men zich beter zal voelen en meer energie beschikbaar zal hebben. Er wordt dus verwacht dat moeders die zich autonoom, competent, en verbonden voelen meer in staat zijn om autonomie-ondersteunend te zijn tegenover hun kind. Dus, moeders waarvan de psychologische behoeftes wel voldaan zijn, worden verondersteld meer in staat te zijn om keuze te verlenen aan hun kind, uit te leggen waarom bepaalde regels gelden, inbreng te verlenen en initiatieven te ondersteunen, etc. Deze hypothese werd deels bevestigd. Alleen bij de jongere (maar niet bij de oudere) kinderen was het inderdaad zo dat behoeftebevrediging bij de moeders samenhing met meer waargenomen autonomie-ondersteuning vanuit de moeder, zoals gerapporteerd door het kind zelf.

 

Werkt deze autonomie-ondersteuning aanstekelijk binnen het gezin in de zin dat andere gezinsleden ook eerder autonomie-ondersteunend gaan zijn t.o.v. andere gezinsleden?

De tweede onderzoeksvraag wilde specifiek onderzoeken of kinderen die aangeven dat hun moeder op een autonomie-ondersteunende wijze met hen omgaat, ook eerder zelf geneigd zijn om meer autonomie-ondersteunend te zijn ten opzichte van hun broer of zus (die ook meedeed aan het onderzoek). Dus is het zo dat wanneer een kind bijvoorbeeld veel keuze ervaart vanuit zijn moeder, dat hij dan ook eerder keuze verleent aan zijn broer of zus (bijvoorbeeld over welk spel ze gaan spelen)? De resultaten lieten zien dat dit inderdaad het geval was.

 

We kunnen dus twee zaken concluderen uit deze studie. Allereerst, de behoeftes van ouders zijn wel degelijk belangrijk! En, ten tweede, autonomie-ondersteuning vanuit de moeder is niet alleen voordelig voor het ‘ontvangende’ kind maar lijkt ook een autonomie-ondersteunende interactie-stijl tussen broers en zussen te ontlokken.

Vrijdag 20/11/15 kunnen we beschouwen als een bijzondere dag, de dag waarop de auteurs van 'Vitamines voor groei', hun handboek officieel voorstelden aan het grote publiek.


Vitamines voor groeiOp basis van de Zelf-Determinatie Theorie, betogen de auteurs dat de psychologische behoeftes aan autonomie, competentie en verbondenheid de cruciale vitamines zijn voor groei. Er volgt een toelichting hoe kinderen die deze vitamines krijgen nieuwsgierig en geboeid door het leven gaan en uit vrije wil luisteren, eerder dan omdat het moet. In het boek wordt aandacht besteed aan de manier waarop ouders, maar ook hulpverleners, een motiverende rol kunnen spelen in de opvoeding en hoe ze in hun broodnodige vitamines van groei voor hun kroost kunnen voorzien. Een handboek dat zich situeert op het raakvlak tussen de ontwikkelings- en de motivatiepsychologie met als cruciale vraag, 'waarom doen mensen wat ze moeten doen'?.


Er werd hard gewerkt aan het boek en dat resulteerde in een handboek met concrete voorbeelden, dat een uitnodiging inhoudt tot reflectie over menselijke ontwikkeling en psychologische groei en dat een overzicht biedt van wetenschappelijke inzichten uit de Zelf-Determinatie Theorie. De uiteindelijke versie kan als een gepolijste weergave beschouwd worden, boordevol ervaring, aftoetsing, reflectie, samenwerking en herinnering.


Er werd dan ook goed nagedacht over de wijze waarop dit krachtig boek op een inspirerende manier officieel kon voorgesteld worden. Hiertoe werd gekozen om tijdens de boekvoorstelling naast de inhoudelijke toelichting van de auteurs, getuigenissen aan bod te laten komen vanuit het werkveld.
An Vandeputte, psycholoog en directeur KC eetexpert, Gert Vande Broek, professor KU Leuven en trainer nationale volleybalploeg, Katrien Schoevaerts, psychiater en diensthoofd team eetstoornissen Alexianen zorggroep Tienen, Christel Moors, directie GO! Atheneum Bree en Erik Schoentjes, kinder- en jeugdpsychiater UZ Gent, namen het op zich om hun expertise rond de materie 'voeden tot groei', te brengen. Elk voor hun specifiek werkdomein, werden de groeikansen, voordelen, hindernissen en aanbevelingen gebracht.
We konden vooral besluiten dat de rijkelijke bagage, die zowel door de auteurs als door de gastsprekers werd gebracht een grote aanzet of drang was naar meer.


Tot slot nog 3 belangrijke vragen. Waren de auteurs zelf gemotiveerd? Zonder enige twijfel. Was het groot publiek gemotiveerd voor deze activiteit op vrijdagavond? Heel zeker. De talrijke aanwezigheid op de feestelijke receptie als afsluiter kon dit bevestigen. Was de achterban van de auteurs gemotiveerd om dit samen met hen vorm te geven? Geen twijfel mogelijk.


Vitamines voor groeiDit leidt ons enkel tot de slotconclusie dat Vitamines voor groei een verhaal is over groei doorheen groei en vooral een verhaal met heel veel naturelle inzet.


Wil je het boek bestellen,  surf dan naar www.acco.be/vitaminesvoogroei

Nathalie Aelterman Cyprus: 25-29 augustus 2015

 

Met het huidige herfstweer lijkt het alweer een eeuwigheid geleden, maar amper een paar weken terug vertoefden we nog met enkele collega's aan de kust van Limassol onder de warme (lees: hete) Cypriotische zon. De reden voor onze aanwezigheid in een dergelijk tot-de-verbeelding-sprekend oord was het 16de congres over 'Research on Learning and Instruction'. Tijdens dit congres komen honderden onderzoekers met een specifieke interesse in onderwijs in zijn breedste betekenis bijeen om hun ideeën, vernieuwende instrumenten en geavanceerde analysemethoden met gelijkgestemden te delen. Of dat is toch wat de aankondiging doet uitschijnen...

 

Maar waarom niet het aangename aan het nuttige koppelen als je zo'n 'verre' reis maakt? De meesten onder ons trokken een week vroeger naar Cyprus om het eiland per moto te verkennen, de prachtige Olympus (niet te verwarren met de gelijknamige berg in Griekenland) in het Troödosgebergte te beklimmen, de zoutvlakten van Larnaka te bewandelen, een 30m-diepe duik naar het Zenobia vrachtschip te maken of pootje te baden en te luieren op één van de prachtige stranden in Ayanapa. De plaatselijke bevolking is hartelijk, goedlachs en steeds bereid om te helpen (ook bijvoorbeeld wanneer je rokje door je rugzak net iets te hoog is gekropen). Bovendien weet hun mediterrane keuken je elke dag opnieuw te bekoren, zeker als je van zeevruchten houdt. Het warme en vochtige klimaat zorgde er al spoedig voor dat we 'op het Cypriotische ritme' leefden. 's Avonds zochten we dan ook vaak de nodige 'verkoeling' op in één van de gezellige bars van de oude stad of de Marina (lees: jachthaven). Ja, Cyprus heeft op toeristisch vlak heel wat te bieden en is dus zeker een bezoekje waard!

 

Na een weekje rust en ontspanning veranderde het straatbeeld van Limassol. Verscheidene gebouwen verspreid over de stad kregen een kleur en overal zag je EARLI congres-gangers zich van de green building, naar de brown building, naar de blue building, ... begeven. Voor Christa en Jolien ging een nieuwe wereld open toen ze tijdens de JURE pre-conference konden netwerken, feedback kregen van de pioniers in assessment for learning en op 'consult' konden gaan bij de editor van Learning and Instruction.

 

Tijdens het congres zelf was de kwaliteit van de presentaties jammer genoeg zeer variabel. Het gebrek aan vernieuwende studies en prikkelende ideeën was in dat opzicht misschien een beetje een ontgoocheling. Maar gelukkig waren er ook heel wat bekende gezichten (Johnmarshall Reeve, Thanasis Mouratidis, Lennia Matos, Idit Katz, ...) met wie we tussendoor of 's avonds urenlang konden brainstormen over nieuwe onderzoeksideeën of discussiëren over punten waarin we van mening verschillen. De gesprekken met Johnmarshall Reeve over hoe de verschillende dimensies van leerkrachtgedrag (of was het -stijl?) zich ten opzichte van elkaar verhouden, over hoe we leerkrachtgedrag objectief kunnen in kaart brengen en over welke richting toekomstig onderzoek in dit domein kan uit gaan, waren in het bijzonder boeiend en leerrijk en vormden een bron van inspiratie om onze eigen onderzoekslijnen verder uit te bouwen.

 

Kortom, we kunnen met de glimlach terugblikken op een geslaagde congresweek. Niet alleen hebben we heel wat inspiratie en onderzoeksideeën kunnen bijtanken, maar het was alweer een waar plezier om de week met zoveel aangename collega's te kunnen doorbrengen.

Aelterman Nathalie, Vansteenkiste Maarten, Van den Berghe Lynn, De Meyer Jotie & Haerens Leen
Journal of Sport and Exercise Psychology, 2014, 36(6):595-609

 

Motivatie en het gebrek daaraan bij leerlingen zijn meer dan ooit het gespreksonderwerp en een bron van bekommernis bij leerkrachten. Ook tijdens de lessen Lichamelijke Opvoeding merken we vaak dat jongeren niet altijd even enthousiast zijn en soms moeilijk in beweging te krijgen zijn. Hierdoor rijst de vraag:

 

wat leerkrachten Lichamelijke Opvoeding kunnen doen om de plezierbeleving bij hun leerlingen aan te wakkeren en hun betrokkenheid te vergroten.

 

De Zelf-Determinatie Theorie (Deci & Ryan, 2000) is een wetenschappelijk onderbouwde theorie over motivatie die een bruikbaar kader biedt om motivationele processen te onderzoeken. Binnen de ZDT gaat men er van uit dat leerkrachten die er in slagen om in te spelen op de psychologische basisbehoeftes van leerlingen de motivatie weten te versterken. Deze basisbehoeftes houden de ervaring van psychologische vrijheid en keuze (autonomie), de ervaring van doeltreffendheid en succes (competentie), en de ervaring van hechte, wederkerige relaties (relationele verbondenheid) in. Als deze behoeftes gevoed zijn, dan hebben leerlingen meer 'goesting' om deel te nemen aan de les Lichamelijke Opvoeding. Anderzijds zal het beknotten van deze behoeftes een motivationele prijs met zich meebrengen.

 

Leerlingen die druk ervaren, twijfelen aan hun competenties en het gevoel hebben dat de leerkracht hen niet apprecieert, zullen de les Lichamelijke Opvoeding in sterkere mate tijdsverspilling vinden of deelnemen aan de les omdat ze 'moeten' (d.i. 'moetivatie'), eerder dan omdat ze de les plezierig en zinvol vinden. In hun interacties met leerlingen kunnen leerkrachten er een meer of minder motiverende aanpak op na houden. Volgens de ZDT zal een klasklimaat waarin de leerkracht de autonomie van de leerlingen ondersteunt (bv. keuzes aanbieden, zinvolle uitleg geven voor vooropgestelde doelen en oefeningen, erkennen van interesses, problemen en gevoelens, optimale uitdaging creëren), structuur aanbiedt (bv. verwachtingen communcieren, hulp bieden, rekening houden met het tempo van leerlingen, positieve en constructieve feedback) en een warme omgeving creëert (bv. oprechte interesse en wederzijds respect tonen, emotionele steun bieden), bevorderlijk zijn voor de plezierbeleving en optimale motivatie bij de leerlingen. De voordelen van autonomieondersteuning, structuur en warmte voor de motivatie van leerlingen werden in verscheidene studies reeds aangetoond, ook in de les Lichamelijke Opvoeding. Echter, het aantal beschikbare interventiestudies dat nagaat of leerkrachten Lichamelijke Opvoeding effectief kunnen getraind worden om op een (meer) motiverende manier les te geven is tot op heden eerder schaars.

 

In recent motivatieonderzoek probeerden we hieraan tegemoet te komen door een workshop te ontwikkelen met als doel leerkrachten Lichamelijke Opvoeding uit het secundair onderwijs te scholen om op een meer motiverende manier les te geven volgens de basisprincipes van de ZDT. In een groep van 39 leerkrachten Lichamelijke Opvoeding werd vervolgens onderzocht of leerkrachten na het volgen van deze workshop meer overtuigd waren van de effectiviteit en haalbaarheid van de voorgestelde motiverende strategieën en deze ook effectief meer gingen toepassen in hun lessen in vergelijking met leerkrachten die de workshop niet hadden gevolgd (d.i. controle groep).


De studieresultaten waren beloftevol en lieten zien dat de workshop een positieve impact had op de mate waarin leerkrachten de voorgestelde motiverende strategieën als effectief en haalbaar beschouwden. Ongeveer één maand na de workshop geloofden leerkrachten die de workshop hadden gevolgd namelijk sterker in de effectiviteit en haalbaarheid van de voorgestelde strategieën in vergelijking met leerkrachten die de workshop niet hadden gevolgd. Deze positieve verandering in hun overtuigingen kan enerzijds te wijten zijn aan de manier waarop de motiverende strategieën tijdens de workshop werden gebracht. Het gebruik van concrete praktijkvoorbeelden, interactieve discussie en micro-teaching kunnen er immers toe bijgedragen hebben dat leerkrachten meer overtuigd zijn geraakt van de bruikbaarheid en eenvoudige implementatie van de voorgestelde strategieën. Anderzijds is het ook mogelijk dat leerkrachten na het volgen van de workshop actief met de voorgestelde aanpak aan de slag zijn gegaan in hun lessen, en doorheen positieve ervaringen in de interacties met leerlingen positiever zijn geworden over de effectiviteit en haalbaarheid van de deze aanpak.


De workshop had niet alleen een positieve impact op de overtuigingen van leerkrachten, maar leidde ook tot een positieve verandering in de effectieve toepassing van de voorgestelde motiverende aanpak. Leerkrachten die de workshop volgden speelden nadien vaker in op de leefwereld van jongeren, gaven frequenter een zinvolle uitleg voor de oefenstof, en integreerden meer keuze, uitdagende oefeningen en spelmomenten in hun lessen. Opvallend was dat deze veranderingen niet alleen werden vastgesteld door externe observatoren, maar ze ook door de leerlingen zelf werden opgemerkt.

 

Vertaling naar de praktijk: motiveren zit in kleine dingen!
Een motiverende aanpak hoeft niet noodzakelijk een grote inspanning of tijdsinvestering te vragen van leerkrachten. Vaak kunnen leerkrachten via kleine aanpassingen in hun stijl een invloed uitoefenen op de mate waarin de behoeften aan autonomie, competentie en verbondenheid bij leerlingen worden gevoed. Hieronder formuleren we alvast enkele voorbeelden van hoe leerkrachten op een eenvoudige manier de plezierbeleving en de betrokkenheid van leerlingen tijdens de les kunnen vergroten:


- Voor leerkrachten Lichamelijke Opvoeding is het niet (altijd) haalbaar en wenselijk om leerlingen te laten kiezen welke sportdisciplines aan bod komen (d.i. optiekeuze). Toch zijn er talrijke andere mogelijkheden om keuze te integreren tijdens de lessen, zoals keuze in de volgorde, het ritme of de moeilijkheidsgraad van oefeningen (d.i. actiekeuze). Bij standenwerk kan bijvoorbeeld aangegeven worden dat leerlingen 8 van de 10 opgestelde standen dienen doorlopen tijdens de les, maar ze hierbij zelf kunnen kiezen welke 8 standen dit precies zijn.


- Ook kleine aanpassingen in het taalgebruik van leerkrachten kunnen een verschil maken. Leerkrachten die een uitnodigende taal ('kunnen', 'voorstellen', 'willen'), eerder dan een dwingende ('moeten') of beschuldigende ('is dat nu echt zo moeilijk?') taal hanteren spelen in op de goesting eerder dan op de moetivatie bij leerlingen.


- Hoewel leerkrachten er vaak van uit gaan dat hulp bieden het competentiegevoel bij leerlingen versterkt, kan sommige – doorgaans goedbedoelde – hulp de competentie van leerlingen net ondermijnen. Bijvoorbeeld wanneer een leerling reeds in staat is om alleen over de bok te springen, zal hij zich niet competent voelen als de leerkracht zijn arm vasthoudt tijdens zijn sprong. Integendeel, deze overbodige hulp kan door de leerling als een teken van gebrek aan vertrouwen van de leerkracht in zijn kunnen geïnterpreteerd worden. Het kan dus zinvol zijn om zich de vraag te stellen of de geboden hulp voor de leerling wel noodzakelijk en gewenst is. In het bovenstaande voorbeeld zou de leerkracht bijvoorbeeld kunnen zeggen dat leerlingen die hulp wensen dit voor hun sprong met een afgesproken gebaar kunnen aangeven.


- De les leuk en boeiend maken impliceert niet dat leerlingen niks kunnen bijleren. Na een lessenreeks gymnastiek kunnen leerkrachten bijvoorbeeld een toonmoment organiseren waarbij leerlingen in kleine groepjes zelf een choreografie kunnen maken. Hierbij leren ze niet alleen samenwerken om tot een aaneenschakeling van de aangeleerde gymnastische oefeningen te komen, maar leren ze ook hun creativiteit te gebruiken bij het zoeken naar originele ritmische pasjes, leuke muziek en eventueel gepaste kledij. Ook optimale uitdaging is belangrijk om leerlingen geboeid te houden. Leerkrachten kunnen proberen om uit hun comfort zone te treden en op zoek te gaan naar creatieve manieren om uitdagende oefeningen te integreren. Bijvoorbeeld in een les rope skipping kunnen de sterkere leerlingen proberen om gelijktijdig in het touw te springen en een door een medeleerling toegegooide bal terug te koppen (voorbeeld van C. De Medts).


- Tot slot kunnen leerkrachten door minimale inspanningen hun band met de leerlingen versterken door bijvoorbeeld interesse te tonen in de activiteiten van leerlingen buiten de schoolcontext, een hand op de schouder aan te reiken op momenten dat leerlingen het moeilijk hebben, zich beschikbaar en open op te stellen en tijd vrij te maken voor zowel positieve gevoelens als irritaties bij leerlingen of een leuke activiteit met de klas te organiseren.

 

Kortom, de resultaten van de huidige interventie studie zijn niet alleen veelbelovend, maar ook relevant voor de lesgeefpraktijk. Ze suggereren namelijk dat leerkrachten Lichamelijke Opvoeding, mits een degelijke opleiding en blijvende professionele ontwikkeling, het verschil kunnen maken ten voordele van de goesting voor hun vak bij leerlingen. Hoewel verder onderzoek zal moeten uitwijzen of de gevonden effecten ook stand houden bij een grotere groep en op langere termijn, mogen we op basis van de huidige resultaten voorzichtig positief zijn en aannemen dat het zinvol is om de workshop op te nemen in mentorentrainingen, nascholingen en binnen de lessen didactiek van de lerarenopleiding van verschillende onderwijs-instellingen.

Download artikel

 

Verschenen in Het Laatste Nieuws op 26/09/2015

Verschenen op 22/10/2015 op Knack.be

 

'Wie repressief optreedt tregen spijbelen, loopt het risico dat de problemen escaleren', schrijven Maarten Vansteenkiste en Marijke Luykx in een reactie op de plannen van de Vlaamse regering om de schooluitval tegen te gaan.

Eén op vier leerlingen in de Vlaamse steden verlaat het secundair onderwijs zonder diploma. Dat is zeer veel. Deze zomer ontwierp de Vlaamse regering dan ook een plan tegen schooluitval. Dit plan wordt momenteel in uitvoeringsbesluiten gegoten. Het bevat echter vooral een repressief luik en zet te weinig in op motivering. Maarten Vansteenkiste, professor motivatiepsychologie, en Marijke Luykx, voorzitter Netwerk Leerrecht Limburg, reageren.

 

Het actieplan 'Samen tegen schooluitval' van de Vlaamse regering focust vooral op spijbelen. Spijbelaars en hun ouders worden stevig aangepakt. De ervaring leert echter dat een repressief spijbelbeleid grote beperkingen heeft. In het beste geval gaan leerlingen even in het gareel lopen. In het slechtste geval is het olie op het vuur en escaleren de problemen. Eerder dan een stok achter de deur, vragen scholen en centra voor leerlingenbegeleiding meer handvaten om leerlingen duurzaam te motiveren.

Straffen versus motiveren

 

Limburg is één van de regio's met de hoogste schooluitval. Sinds 2011 loopt er een project om leerlingen meer te motiveren: 'Netwerk Leerrecht Limburg'. Het project bestaat uit twee luiken: Ten eerste, scholen en centra voor leerlingenbegeleiding helpen om werk te maken van een motiverende aanpak. Ten tweede, leerlingen die toch uitvallen tijdelijk opvangen, in samenwerking met welzijnspartners, en buiten de school via een aantal programma's terug te motiveren.

In het plan van de Vlaamse regering wordt het Netwerk Leerrecht Limburg erkend en aangesproken als een belangrijke speler. Maar de focus ligt uitsluitend op het tweede luik. Hier is inderdaad nog veel werk te verzetten. Maar enkel dit werk verder uitbouwen, is dweilen met de kraan open. Er dient vroeger in de ketting ingegrepen te worden.

Leerkrachten en begeleidend personeel worden immers geconfronteerd met een complexe mini-samenleving in hun klassendiverse culturele achtergronden, ontwikkelingssnelheden en interessevelden. Het is niet evident om deze allen in rekening te brengen en jongeren dagelijks te enthousiasmeren. Zij moeten dan ook ondersteund worden om een motiverend afsprakenbeleid, huistaakbeleid en evaluatiebeleid uit te bouwen. Leerlingen moeten daarbij een stem krijgen. Slechts dan zullen maatregelen tegen spijbelen echt werken. Het is cruciaal dat scholen preventief worden versterkt en ondersteund en niet enkel als de problemen zich al voordoen.

De groei van elke jonge mens

De motiverende aanpak in het project leerrecht in Limburg is gebaseerd op de zelf-determinatie-theorie. Deze theorie heeft zijn nut en bruikbaarheid al meermaals bewezen. De theorie vertrekt van drie psychische basisbehoeften: autonomie, relationele verbondenheid en competentie. Dit zijn cruciale voedingsstoffen voor de groei van elke jonge mens.

Autonomie verwijst naar vrijheid en keuze hebben. Jezelf mogen zijn. Ruimte krijgen om je gevoelens te uiten: enthousiasme en fierheid, maar ook onzekerheid en irritatie. Competentie verwijst naar het zich bekwaam voelen. Het gevoel een opdracht succesvol te kunnen uitvoeren, over vaardigheden te beschikken die een meerwaarde zijn voor de groep. Verbondenheid verwijst naar het ervaren van een warme band met klasgenoten, school en leerkracht.

Net zoals een plant water en zonnelicht nodig heeft om te kunnen groeien en bloeien, zo heeft elke jonge mens nood aan autonomie, relationele verbondenheid en een gevoel van competitie om zich te kunnen ontplooien. Zonder autonomie, relationele verbondenheid en gevoel van competentie, worden kinderen passief en onverschillig of agressief en opstandig. Als deze behoeftes voldaan zijn, dan zijn ze geboeid, hebben ze energie te koop en stellen ze zich constructief op. Ook de motivatie van leerkrachtenteams en directies is afhankelijk van hun behoeftebevrediging. Een onderwijsbeleid dat inzet op het versterken van autonomie, relationele verbondenheid en competentie zal duurzame resultaten boeken.

 

Oersaaie leerstof

 

Uit recent onderzoek bij leerlingen uit het tweede middelbaar blijkt dat meer dan 60% de leerstof saai tot oersaai vindt. Een signaal om aan de alarmbel te trekken. Dat gebeurde in Limburg, met als gevolg de oprichting van het project Leerrecht.

Elf secundaire scholen en hun CLB-medewerkers hebben de laatste twee schooljaren initiatieven uitgewerkt om de motivatie van leerlingen en leerkrachten op te krikken.

Scholen herschreven hun schoolvisie vanuit de drie basisbehoeften en concretiseren deze visie in het evaluatiebeleid, de studiebegeleiding en de leerlingenbegeleiding. Het is veel breder dan enkel losse acties. Het is een proces in dialoog met het schoolteam en de leerlingen. Inspraak en vorming zijn een essentieel onderdeel.

Een aantal scholen evolueerden in hun evaluatiebeleid en leerlingenbegeleiding van verplichte inhaallessen bij zwakke leerresultaten naar 'hulp bieden op verzoek'. Met behulp van een 'reflectiefiche' gaat de begeleider in dialoog met de leerling over mogelijke initiatieven om de achterstand bij te werken. De leerling krijgt de ruimte om zijn situatie en zijn mening te zeggen, om te reflecteren over zijn studieverloop en om zelf te kiezen voor de ondersteuning die de school organiseert.

Afspraken in plaats van regeltjes

In een leertraject hebben bepaalde scholen ook hun sanctioneringsbeleid herwerkt. De lange lijst van regeltjes in het schoolreglement, eenzijdig opgelegd door de school, zijn nu vervangen door afsprakennota's, die gedragen worden door het schoolteam, de leerlingen en hun ouders. De afspraken vertrekken van de positieve visie dat iedere leerling wil leren en dat hun motivatie -'goesting' - de drijvende kracht is voor hun inzet. Ook de leerlingen werken mee aan het formuleren van de regels, zodat zij deze als zinvol ervaren. Het is een groeiproces in de scholen naar zinvolle, duidelijke regels met consequente opvolging en voldoende dialoog.

De betrokken scholen zijn vragende partij om dit beleid verder uit te werken. Waar men er echt op inzet, zijn de resultaten ook verbluffend. Wij verzoeken de minister van Onderwijs dan ook dergelijk beleid meer aandacht te geven.

Laat ons niet enkel probleemsituaties proberen recht te trekken, maar investeren in een schoolbeleid waar én leerkrachten én leerlingen ten volle achter staan, zodat ze met goesting komen werken of school lopen.

 

(Maarten Vansteenkiste is Professor motivatiepsychologie aan de UGent, Marijke Luykx is voorzitter Netwerk Leerrecht Limburg)

 

Dieleman, L., De Pauw, S., Soenens, B., Prinzie, P., & Van Hove, G.  (2015). Gedragsproblemen en sterktes bij kinderen met Downsyndroom. Kind en Adolescent,36, 101-118.

 

Downsyndroom is een van de meest voorkomende en meest bestudeerde oorzaken van een verstandelijke beperking en wordt vaak geassocieerd met het stereotype beeld van een goedlachs, vrolijk kind. De realiteit is echter complexer en kinderen met Downsyndroom kunnen (net zoals alle kinderen) onderling sterk verschillen en kunnen wel degelijk gedragsmatige en emotionele moeilijkheden vertonen. Hoewel verschillende factoren, zoals comorbiditeit met een autismespectrumstoornis (ASS) werden gesuggereerd als mogelijke determinanten voor deze verschillen, blijft het onduidelijk welke factoren het gedrag van kinderen met Downsyndroom beïnvloeden.

 

Omdat het stereotype beeld tot onrealistische verwachtingen bij ouders en hulpverleners kan leiden, beoogde deze studie om een meer compleet beeld van deze kinderen te schetsen. Hiervoor onderzochten we zowel het probleemgedrag als de psychosociale sterktes van 67 Vlaamse en Nederlandse kinderen met Downsyndroom en werd de impact van geslacht, leeftijd en ASS nagegaan.

 

Bij 1 op de 10 kinderen rapporteren ouders klinische emotionele problemen (angstig, teruggetrokken, depressief), terwijl 1 op de 5 kinderen significante gedragsproblemen vertoont (agressie, vijandigheid). Kinderen met Down vertonen het vaakst moeilijkheden met sociale interacties, concentratie en het loslaten van bepaalde gedachten of handelingen. Dat de kinderen vooral sociale problemen vertonen, is opvallend in het licht van het stereotiepe beeld van het vrolijke, spontane en sociale kind met Down. Het is belangrijk dat hulpverleners en ouders zich niet laten misleiden door dit stereotype en de sociale moeilijkheden van deze kinderen gaan (h)erkennen. Ook de verhoogde mate van aandachts- en denkproblemen verdienen voldoende aandacht. Het kan belangrijk zijn om, zowel thuis, op school als tijdens de vrije tijd, rekening te houden met het aandachtsniveau van een kind, zodat hij/zij niet overvraagd worden. Zo kan er bijvoorbeeld door de dag gezocht worden naar voldoende (korte) rustmomenten, zodat het kind nadien opnieuw de nodige aandacht kan opbrengen voor wat van hem/haar verwacht wordt. Bovendien tonen de resultaten aan dat kinderen met Downsyndroom een hele waaier aan sterktes kunnen bezitten. Zo vertonen de meeste kinderen met Down hoge familiale betrokkenheid en bouwen ze sterke relaties uit in hun gezin. De meeste kinderen met Down kunnen ook op een goede manier affectie uiten en ontvangen.

 

Er werden echter belangrijke verschillen tussen de kinderen gevonden. Deze verschillen kunnen gedeeltelijk verklaard worden door de leeftijd van het kind en comorbiditeit met ASS. Als kinderen met Downsyndroom ouder worden stijgt het risico op het ontwikkelen van angst en depressieve klachten. Tegelijkertijd kunnen oudere kinderen met Downsyndroom hun gedrag beter aanpassen aan sociale situaties dan jongere kinderen. Tenslotte toont deze studie aan dat kinderen met Downsyndroom én ASS een veel maladaptiever profiel, met meer gedragsproblemen en minder sterktes, vertonen. Deze kinderen hebben bijvoorbeeld vijf keer meer kans op klinische emotionele en gedragsproblemen. Aangezien comorbiditeit met ASS duidelijk gepaard gaat met veel bijkomende moeilijkheden is het belangrijk om het bestaan van deze specifieke groep te erkennen. Het bestaan van ASS bij kinderen met Downsyndroom werd jammer genoeg,gedeeltelijk door de invloed van het stereotiepe beeld, lang ontkend. Deze erkenning is echter cruciaal zodat ouders het gedrag van hun kind beter kunnen plaatsen en een aangepaste begeleiding kunnen voorzien.

Soenens, B., Wuyts, D., Vansteenkiste, M., Mageau, G. A., & Brenning, K. (2015). Raising trophy kids: The role of mothers' contingent self-esteem in maternal promotion of extrinsic goals. Journal of Adolescence, 42, 40-49.

 

Ouders verschillen in de mate waarin ze hun kinderen aanmoedigen om een leven met veel bling-bling te leiden. Sommige ouders vinden het belangrijk dat hun kind rijkdom nastreeft, populair is, en fysiek aantrekkelijk is. Wie zijn deze ouders die een dergelijke materialistische, of in meer technische taal: extrinsiek georiënteerde, levensstijl promoten?

 

In een onderzoek bij 184 moeders en adolescenten vonden we dat vooral moeders die voor zichzelf extrinsieke doelen hoog in het vaandel voeren én tegelijk kindgerichte voorwaardelijke eigenwaarde vertonen geneigd zijn om een extrinsiek georiënteerde levensstijl te promoten. Kindgerichte voorwaardelijke eigenwaarde is kenmerkend voor moeders wier eigenwaarde en trots meer fonkelt als hun kind succesvol is, terwijl ze het gevoel hebben zelf minder waardevol te zijn als hun kind faalt. Het zijn de moeders die dromen van trofeekinderen, kinderen waarmee ze kunnen opscheppen. Ze hopen (heimelijk) dat hun kinderen glorieuze overwinningen zullen boeken en dat ze zich als ouder ook wat in de glorie van de successen van hun kind kunnen wentelen. Omdat materialistische doelen in onze huidige maatschappij sterk gewaardeerd worden zien deze moeders het behalen van materialistisch succes door hun kind wellicht als de manier bij uitstek om zelf als een succesvolle ouder gezien te worden. Dit effect gaat des te meer op wanneer moeders voor zichzelf ook sterk geloven in het belang van extrinsieke doelen voor levensgeluk en succes.

 

De tragiek van deze dynamiek is dat het behalen van extrinsieke doelen zelden het geluk met zich meebrengt waar mensen op hopen. Zowel het nastreven als het behalen extrinsieke doelen hangt samen met minder wenselijke ontwikkelingsuitkomsten bij kinderen en adolescenten, waaronder verminderde levenstevredenheid, een exclusief prestatiegerichte focus bij het studeren op school, oneerlijkheid, en bedenkelijke sociale houdingen zoals machiavellisme en vooroordeel. Een beter alternatief voor ouders is dan ook om meer intrinsieke doelen naar voor te schuiven in de opvoeding van kinderen. Het belang communiceren en tonen van waarden zoals talentontwikkeling en zorg dragen voor anderen blijkt meer garantie te bieden op een evenwichtige ontwikkeling bij kinderen.

Jolene Van Der Kaap-Deeder : Denemarken 3-28 augustus 2015.

 

Het is nu 28 augustus 2015, de laatste dag van mijn vier weken hier in Aarhus, Denemarken. Een goed moment dus om een blog te schrijven over mijn ervaringen hier bij het onderzoekscentrum CON AMORE.

 

De tijd is erg snel gegaan. Het leek net gisteren dat ik hier aan het zoeken was bij welk gebouw ik precies moest zijn. Alle universiteitsgebouwen liggen hier bij elkaar met daartussen een tweetal parken met vijvers. De gebouwen zien er allemaal hetzelfde uit: lichtbruine bakstenen, 4 of 5 verdiepingen, wat klimop er op groeien en vooral zeer huiselijk. Uiteindelijk had ik dan gebouw 1350 gevonden, waar zich op de vierde verdieping het onderzoekscentrum CON AMORE (Center on Autobiographical Memory Research) bevond. Ik werd zeer vriendelijk ontvangen en ik kreeg een sleutel van mijn tijdelijk bureau. Tijdens de lunch, die hier elke dag om 12 uur in een gemeenschappelijk lokaal is, zag ik dat het inderdaad een grote onderzoeksgroep was (al waren er op dat moment nog veel mensen op vakantie). In totaal bestaat de groep uit iets meer dan 30 mensen met diverse nationaliteiten (Deens, Amerikaans, Mexicaans, Duits).

 

Binnen de groep wordt er onderzoek gedaan naar verschillende aspecten van autobiografische herinneringen: de ontwikkeling van herinneringen, klinische aspecten, cross-culturele aspecten, geslachts- en leeftijdseffecten, en 'involuntary' herinneringen. Tijdens deze eerste week heb ik vooral proberen te 'acclamatiseren'. Ik had ook een mentor toegewezen gekregen die mij op de hoogte bracht van de praktische zaken. In de tweede week heb ik mijn eigen onderzoek aan de groep voorgesteld en daaruit volgden ook heel wat gesprekken met mensen die geïnteresseerd waren in dit onderzoek. Toevallig kwam ik via de voorzitster van CON AMORE ook nog in contact met iemand die geïnteresseerd was in de link tussen de Zelf-Determinatie Theorie en het gevangenisleven.

 

In de derde week was er een 2-daagse retreat ingepland. Dit was ten noorden van Aarhus op ongeveer 1 uur rijden en was op loopafstand van het strand. Tijdens de retreat hebben de meeste mensen een presentatie gegeven over wat ze het afgelopen jaar gedaan hebben. Dit was zeer interessant en gaf een goed beeld van hoe breed het onderzoek rondom herinneringen precies kan zijn.

 

Aan het einde van die week ben ik naar het SELF congres in Kiel geweest (Noord-Duitsland). Dit was interessant, maar minder interessant dan ik van te voren had gedacht. Veel presentaties gingen over studies in de schoolcontext, wat niet zo direct aansloot bij mijn onderzoek.

 

Daarna volgde de laatste week in Denemarken, of eigenlijk de laatste vier dagen. Het weer zat helaas niet mee die week. Daarvoor was het steeds mooi weer: ongeveer 25 graden en geen regen. Die laatste week was het wat kouder en heeft het redelijk veel geregend. Zo'n regendagen waren wel ideaal om verder te werken aan mijn paper. Ik sluit mijn verblijf hier bij CON AMORE af met een goed gevoel: veel inhoudelijk en persoonlijk geleerd, veel mensen leren kennen en ook heel wat kunnen werken aan mijn paper, zeker dus een aanrader!

 

Mijn algemene indruk van Denemarken is zeer positief! Ik had van te voren gehoord dat het landschap leek op dat van Holland en dus zeer plat was, maar dat was gelukkig niet zo. Het landschap bestaat uit veel heuvels, hier en daar bossen, en vooral veel ruimte. De mensen zijn ook erg vriendelijk. De meeste praten toch wel wat Engels en maken gemakkelijk een praatje. Toch kunnen ze ook wel wat rustig en introvert zijn. Zo verbaasde het mij toch wel dat de stad bijna helemaal geen geluid maakte toen ik 's avonds rondliep in het centrum. Het land zelf is ook duidelijk ingesteld op kinderen. Zelfs in kunstmusea zijn er verschillende plekjes waar kinderen kunnen spelen.

 

Een paar dingen in Denemarken zijn wel zoals je van te voren zou denken: ze zijn vaak superblond (ik zou bijna mijn zonnebril hebben opgezet door de reflectie vanuit hun haren) en ze houden van smørrebrød (oftewel roggebrood). In het algemeen zeer gezonde mensen: overal zie je mensen fietsen, rennen, skaten, ...en dan zelfs als het hard regent. Ze hebben hier ook superoma's. Dat zijn oudere vrouwen die zeer snel kunnen fietsen. Zo heb ik soms (vooral in het begin, daarna was ik ontmoedigd door de superoma's) naar het werk gefietst (13 km enkele reis) en daarbij werd ik om de haverklap ingehaald door zo ongeveer iedereen, inclusief die superoma's. Ik heb besloten dat niet persoonlijk op te nemen J. Mijn Deens is iets beter geworden (wat niet zo raar is, gezien ik eerst geen enkel Deens woord kon). Zo weet ik nu dat 'Gem', 'Nyt' en 'Med venlig hilsen', respectievelijk, 'Opslaan', 'Nieuw', en 'Met vriendelijke groeten' betekent, wat al een goed begin is vind ik zelf. Over het algemeen dus een zeer leuk land.

Do personality traits moderate relations between psychologically controlling parenting and problem behavior in adolescents? Journal of personality 02/2015; DOI: 10.1111/jopy.12166

Elien Mabbe, Bart Soenens, Maarten Vansteenkiste, Karla Van Leeuwen.

 

"Wat is er eigenlijk aan de hand met jou? Kan je nu echt niets goed doen?"
"Ik ben teleurgesteld hoor in jou omdat je geen dankjewel wil zeggen!"
"Je bent toch geen baby meer!"
"Klim daar niet op! Wil je vallen misschien?"
"Je wist dat je een test zou hebben morgen en je laat je boek in school? Oh, slim! Dat was echt briljant."
"Waarom kun je niet meer zoals je broer zijn? Hij krijgt zijn werk altijd op tijd klaar."

 

Hierboven enkele voorbeelden van typische uitspraken die een psychologisch controlerende opvoeding karakteriseren. De hamvraag die kan gesteld worden is als alle kinderen kwetsbaar zouden zijn voor een opvoeding waarin dergelijke uitspraken vaak voorkomen?


Psychologische controle wordt beschouwd als één vorm van een controlerende opvoeding, waarin de ouder druk uitoefent op het kind en gebruik maakt van onder andere schuld-, schaamte- of angstinductie. Vanuit de Zelf-Determinatie Theorie wordt gesteld dat een psychologisch controlerende opvoeding nefast is voor de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Dit effect wordt volgens de theorie verklaard door het feit dat een controlerende opvoeding de bevrediging van 3 psychologische basisbehoeften, namelijk de behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid ondermijnt. Tal van onderzoek heeft reeds aangetoond dat de effecten van de frustratie van deze basisbehoeften en daarmee ook van een controlerende opvoeding nadelig zijn ongeacht leeftijd, geslacht, cultuur,...


Onderzoek naar de rol van leeftijd, geslacht en cultuur kan gezien worden als een manier om het universaliteitsprincipe van de theorie over de basisbehoeften te toetsen. Een belangrijke variabele in dit kader, namelijk de persoonlijkheid van het kind, werd echter nog niet onderzocht. Is het zo dat elk kind lijdt onder een psychologisch controlerende opvoeding, of bestaan er kinderen die op de één of andere manier door hun persoonlijkheid 'gewapend' zijn tegen een psychologisch controlerende opvoeding? Als zou blijken dat de effecten van psychologische controle sterk afhankelijk zijn van de persoonlijkheid van een kind, dan zou dit in tegenspraak zijn met de stelling dat een psychologisch controlerende opvoeding appelleert aan universele psychologische basisbehoeften.


Om dit te onderzoeken werd nagegaan of er interacties aanwezig zijn tussen een psychologisch controlerende opvoeding en de persoonlijkheid van een kind in de voorspelling van verschillende uitkomsten. Afhankelijk van de aard van de gevonden interacties kon de claim dat het gaat om universele basisbehoeften ofwel bijkomende ondersteuning vinden, ofwel tegenevidentie vinden.


Persoonlijkheid kan de effecten van opvoeding op verschillende manieren beïnvloeden. Op de eerste plaats kan persoonlijkheid de sterkte van het effect van een controlerende opvoeding bepalen. Persoonlijkheid kan er met andere woorden voor zorgen dat de effecten bij adolescenten met een bepaald persoonlijkheidsprofiel meer of minder uitgesproken zijn in vergelijking met adolescenten met een ander persoonlijkheidsprofiel. Zo zou men bijvoorbeeld kunnen verwachten dat een psychologisch controlerende opvoeding schadelijker is voor adolescenten die emotioneel minder stabiel zijn in vergelijking met adolescenten die wel emotioneel stabiel zijn. Persoonlijkheid bepaalt dus op die manier de mate waarin adolescenten lijden onder een psychologisch controlerende opvoeding. Alhoewel dit nog nooit werd aangetoond in voorgaand onderzoek, zou persoonlijkheid theoretisch gezien ook de richting van het verband tussen opvoeding en verschillende uitkomsten kunnen beïnvloeden. Dit zou theoretisch betekenen dat voor sommige adolescenten psychologische controle voordelig zou zijn. ZDT zou enkel niet ondersteund worden indien interacties van het tweede type gevonden zouden worden, of als controlerend opvoeden systematisch aan geen enkele negatieve uitkomst zou gelinkt kunnen worden bij sommige adolescenten.

 

Persoonlijkheid kan ook een invloed hebben op hoe de effecten van controlerend opvoeden zich manifesteren. ZDT gaat er van uit dat een psychologisch controlerende opvoeding universeel schadelijk is, maar dit betekent niet dat dit zich bij elke adolescent op dezelfde manier manifesteert. Zo zou een adolescent die eerder impulsief van aard is eerder externaliserend gedrag (agressie, regel-overtredend gedrag) kunnen manifesteren indien hij/zij in aanraking komt met een psychologisch controlerende opvoeding, terwijl een eerder emotioneel instabiele, introverte adolescent eerder internaliserend gedrag (angst, depressieve gevoelens) kan manifesteren als reactie op een psychologisch controlerende omgeving.

 

Over het algemeen werd weinig evidentie gevonden voor de modererende rol van persoonlijkheid, op één uitzondering na. Psychologische controle bleek niet gerelateerd aan externaliserende problemen voor adolescenten die hoog scoren op vriendelijkheid. Dit betekent echter niet dat deze adolescenten geen problemen ondervinden, aangezien er geen interactie gevonden werd met vriendelijkheid als men internaliserende problemen in acht neemt.

 

Daarnaast werd ook aangetoond dat de effecten van psychologische controle konden verklaard worden door de frustratie van de 3 basisbehoeften, ongeachte de persoonlijkheid van de adolescenten.
Samenvattend kan gesteld worden dat adolescenten, op de één of andere manier lijden onder een controlerende opvoeding, en dit ongeacht hun persoonlijkheid, een conclusie die volledig in lijn ligt met de aannames van de ZDT.

Van der Kaap-Deeder, J., Coorevits, N., & Vansteenkiste, M. (2015). Zelfwaarde op losse schroeven: Gevolgen en wortels van voorwaardelijke zelfwaarde. Caleidoscoop, 27, 22-29.


In de zelfwaardeliteratuur wordt sinds enkele jaren een onderscheid gemaakt tussen het kwantitatieve en het kwalitatieve aspect van zelfwaarde. De kwantiteit van zelfwaarde – of eenvoudiger gesteld de hoeveelheid of het niveau ervan – verwijst naar de mate waarin iemands zelfwaarde hoog dan wel laag is. Dit aspect kreeg de meeste aandacht, waarbij de evolutie van zelfwaarde, de wortels en de psychosociale gevolgen ervan uitgebreid werden onderzocht. Naast de kwantiteit van zelfwaarde is de kwaliteit ervan ook van belang. Hoewel iemand een positief zelfbeeld kan hebben, is de kwaliteit ervan nog niet gewaarborgd.


Het beschikken over een hoge zelfwaarde is niet per definitie positief. Zo kan een kind over het algemeen een positief zelfbeeld hebben, dit positief zelfbeeld kan fragiel zijn en plotseling uit elkaar spatten, omdat het niet stevig is verankerd. Een fragiele zelfwaarde kan sterke schommelingen vertonen van dag tot dag. Naast deze dagelijkse schommelingen blijkt de kwetsbaarheid ook uit de mate waarin iemands zelfwaarde voorwaardelijk is. Dit wordt technisch ook wel contingente zelfwaarde genoemd. Dergelijke zelfwaarde wordt opgehangen aan het neerzetten van uitmuntende prestaties waardoor iemand ups en downs zal ervaren in de mate waarin men zich waardevol vindt.


Het alternatief voor voorwaardelijke zelfwaarde is wat veilige zelfwaarde wordt genoemd en in dit geval wordt de zelfwaarde niet actief nagestreefd maar volgt het eerder als een neveneffect van het handelen op basis van ontluikende interesses en persoonlijke overtuigingen. Omdat de zelfwaarde in dit geval geworteld is in activiteiten die mensen oprecht boeien of zinvol lijken, is de eruit voortspruitende zelfwaarde sterker en verankerd. Het heeft een stabielere en veiligere basis. Onderzoek naar de gevolgen van voorwaardelijke zelfwaarde tonen aan dat deze vorm van fragiele zelfwaarde ongunstig is voor het psychologisch functioneren variërend van verminderd welbevinden tot het voorkomen van depressieve symptomen en alcoholgebruik.


Wat zorgt er nu voor dat een kind zichzelf eerder voorwaardelijk waardeert? De oorsprong van voorwaardelijke zelfwaarde is vaak te zoeken binnen de relaties met belangrijke anderen, zoals de ouders of leerkrachten. Zo kan het zijn dat de aandacht van ouders of leerkrachten voorwaardelijk is. De boodschap die kinderen krijgen is dat ze slechts (meer) appreciatie krijgen indien ze aan de voorwaarden van de ouders of leerkrachten voldoen. De aandacht ofwel de aanvaarding is afhankelijk van het gedrag van het kind. Het kind moet met andere woorden de aandacht verdienen. Op termijn wordt deze voorwaardelijke liefde geïnternaliseerd door het kind, wat de deur opent voor bijtende zelfkritiek bij zwakke resultaten en uitgelaten reacties bij goede resultaten. Dit proces wordt versterkt als deze sociale figuren bovenop deze voorwaardelijke aanvaarding ook erg betrokken of responsief zijn.
Sommige ouders en leerkrachten zijn meer geneigd om voorwaardelijke aandacht te tonen. Wat hierbij een belangrijke rol speelt, is de mate waarin ouders/leerkrachten hun eigen zelfwaarde laten afhangen van de prestaties of het gedrag van het kind. In dit geval van kindgebonden voorwaardelijke zelfwaarde voelt de ouder/leerkracht zich waardevoller wanneer het kind zich correct en succesvol gedraagt, echter wanneer het kind zich niet gedraagt zoals verwacht, dan voelt de ouder/leerkracht zich onzeker en gefaald.


Tot slot volgen nog wat aanbevelingen vanuit de praktijk waarvan ouders en leerkrachten gebruik kunnen maken om de zelfwaarde van hun kinderen en adolescenten kunnen versterken. Het ondersteunen en stimuleren van de interesses en waarden van kinderen en adolescenten, het geven van procesgerichte feedback waarbij het gedrag centraal staat in plaats van feedback gefocust op persoonskenmerken en het aannemen van een onvoorwaardelijk liefhebbende houding, waarbij de ouders en leerkrachten hun zelfwaarde niet vereenzelvigen met de resultaten of het gedrag van het kind, blijken belangrijke ingrediënten voor het bevorderen van een meer veilig, verankerde zelfwaarde bij kinderen en adolescenten.

Van Petegem, S., Vansteenkiste, M., Soenens, B., & Beyers, W. (2014). Examining the Longitudinal Association Between Oppostional Defiance an Autonomy in Adolescence. Developmental Psychology 11/2014.

Van Petegem, S., Soenens, B., Vansteenkiste, M., & Beyers, W. (2015). Rebels With a Cause? Adolescent Defiance From the Perspective of Reactance Theory and Self-Determination Theory. Child Development 02/2015.

  

Regels en jongeren: het blijft een moeilijke en delicate kwestie. Enerzijds zijn er overal regels waaraan jongeren zich moeten houden: in de week moeten ze opstaan om naar school te gaan, met hun fiets mogen ze niet door het rood rijden, en als het even kan blijven ze liefst ook weg van drank- en drugsmisbruik. Maar anderzijds lijken regels soms alleen maar de tegenovergestelde effecten te hebben, en worden bepaalde vruchten alleen maar aantrekkelijker doordat ze juist verboden zijn.

 

Doorheen een reeks studies onderzochten we dan ook of regels bij jongeren minder of juist meer problemen veroorzaken, en hoe dit komt. Wat consistent uit deze studies bleek te komen, was dat niet zozeer de regels op zich meer of minder problemen veroorzaken. De manier waarop ouders met regels omgaan, en hoe ze die regels communiceren, zal veeleer bepalen of jongeren de regels zullen naleven, dan wel of de regels alleen maar tot rebellie zullen leiden.

 

Dit alles heeft te maken met wat Jack Brehm in de jaren '60 benoemde als psychologische reactantie. Psychologische reactantie wordt ontlokt wanneer mensen zich bedreigd voelen in hun vrijheid, en zou mensen ertoe aanzetten om die vrijheid te heroveren door juist het tegenovergestelde te doen; zelfs als dit ten koste zou gaan van hun persoonlijke voorkeuren. En zo ook bij jongeren: uit één van de studies bleek namelijk dat – wanneer jongeren zouden thuiskomen van school met een slecht punt – een dwingende reactie om meer te studeren een ironisch effect zou hebben. De kans verkleinde dan namelijk alleen maar dat de jongere op een volgend moment effectief meer zou studeren.

 

Dit lijkt te impliceren dat regels dus best zo veel mogelijk vermeden worden, maar dit is niet het geval. Cruciaal is hoe je de regel of het verzoek introduceert. Wanneer je die op een dwingende en dreigende wijze communiceert, is de kans inderdaad groot dat de jongere zich bedreigd zal voelen in z'n vrijheid en het tegengestelde zal doen. Het positieve alternatief is een autonomie-ondersteunende communicatie, waarbij je rekening houdt met de behoeftes en het perspectief van de jongere. Toegepast op het voorbeeld van de slechte punten, komt dit er in eerste instantie op neer om te luisteren naar zijn/haar mening, hoe die zich er bij voelt en wat die erover denkt. Als meer studeren noodzakelijk lijkt (bv. bij het falen op een examen), kan het zinvol zijn om tot op zekere hoogte keuze aan te bieden, waar mogelijk en zinvol, bv. op welke tijdstippen hij/zij studeert. Een laatste aspect is, waar nodig, het bieden van een betekenisvolle uitleg, die ook weer afgestemd is op het kind of de jongere. Zagen of een preek afsteken valt hier m.a.w. niet onder. Via een autonomie-ondersteunende aanpak zal de jongere de zinvolheid van de regel meer begrijpen en zal die er zich ook meer kunnen achter scharen.

In een studie met jongeren uit een gesloten instelling kwamen we overigens tot zeer gelijkaardige bevindingen.

 

 

Dit alles wijst erop dat een duidelijke structuur en consequente regels belangrijk zijn, maar dat een dwingende aanpak gekenmerkt door "een harde hand" alleen maar voor olie op het vuur zorgt, en alleen maar averechtse effecten heeft.

 

 

Campbell, R., Vansteenkiste, M., Delesie, L.M., Mariman, A. N., Soenens, B., Tobback, E., Van der Kaap-Deeder, J., & Vogelaers, D.P. (2015). Examining the role of psychological need satisfaction in sleep: A Self-Determination Theory perspective. Personality and Individual Differences, 77, 199 – 204.

 

Iedereen die ooit een slechte nachtrust heeft gehad, kent waarschijnlijk de gevolgen van slechte slaap. Slecht slapen kan zorgen voor problemen met helder denken, concentratie, en met emoties in de hand te houden. Op lange termijn, kunnen chronische slaapproblemen zelfs het risico voor het ontwikkelen van ernstig gezondheidsproblemen zoals diabetes, hart en vaatziekten, obesitas, en depressie verhogen.

 

In het licht van deze negatieve gevolgen is het belangrijk dat onderzoek beoogt om voorspellers van slaap te identificeren. Voorgaand onderzoek heeft aangetoond dat mensen die stress, eenzaamheid en financiële zorgen ervaren slechter slapen, terwijl mensen die mindful en dankbaar zijn beter slapen. Echter, voorgaand onderzoek naar de voorspellers van slaap werd niet altijd in een theoretisch kader gegrond.

 

Veel studies hebben aangetoond dat de bevrediging van de behoeftes voor autonomie (ervaren van psychologische vrijheid), competentie (ervaren van het gevoel om in staat te zijn om doelen te bereiken) en verbondenheid (ervaren van warme relaties met anderen), zoals gedefineerd binnen de Zelf-Determinatie Theorie, gerelateerd zijn met welzijn. Echter is de link met slaap nog niet onderzocht. Daarom hebben we in de huidige cross-sectionele studie de relatie tussen psychologische behoeftebevrediging en slaap kwaliteit en kwantiteit en dagelijks functioneren onderzocht. Verder, hebben we ook gekeken of psychologische behoeftebevrediging de relatie tussen mindfulness en financiële zorgen en slaap en dagelijks functioneren zou verklaren.

 

Op basis van een bevraging bij 215 volwassenen blijkt dat lage psychologische behoeftebevrediging gedurende de afgelopen maand gerelateerd is met slechtere slaapkwaliteit, kortere slaap duur en meer dagelijks dysfunctie. Verder blijkt dat psychologische behoeftebevrediging een verklarende rol speelt in de link tussen mindfulness en financiële zorgen en slaapkwaliteit en dagelijks functioneren. Met andere woorden, de resultaten suggereren dat mensen die mindful zijn meer geneigd zijn om deel te nemen aan activiteiten die hun psychologische behoeften bevredigen, wat op zijn beurt bevorderlijk is voor betere slaapkwaliteit en dagelijks functioneren. Verder suggereren de resultaten dat de link tussen financiële zorgen en slechte slaapkwaliteit en dagelijks dysfunctie, te verklaren is aan het feit dat mensen die financiële problemen ervaren meer kans hebben om gefrustreerd te geraken in hun behoeftes voor autonomie, competentie en verbondenheid, wat op zijn beurt tot een slechtere nachtrust leidt.

 

Samengevat, deze resultaten suggereren dat psychologische behoeftebevrediging een cruciale rol speelt in hoe we de kwaliteit van onze slaap ervaren en hoe we overdag functioneren.

Boone, L., & Soenens, B. (2015). In double trouble for eating pathology? An experimental study on the combined role of perfectionism and body dissatisfaction. Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 47, 77-83.

Eetstoornissen ontstaan door een combinatie van verschillende factoren, zowel op genetisch/biologisch vlak, alsook sociaal en psychologisch. Binnen het psychologische luik heeft heel wat risicofactorenonderzoek zich gericht op de vraag of perfectionisme het risico op eetstoornispathologie verhoogt. Het gros van deze studies toonde aan dat dit het geval is: wie perfectionistisch is, heeft meer kans om een eetstoornis te ontwikkelen. Dit wil echter niet zeggen dat iedereen die perfectionistisch is zeker te kampen zal krijgen met een eetstoornis gedurende zijn of haar leven.


Daarom hebben we ons in dit experimenteel onderzoek gefocust op de volgende vraag: wat maakt iemand die perfectionistisch is nu precies kwetsbaar om eetstoornissymptomen te ontwikkelen. Hiervoor keken we naar de rol van lichaamsontevredenheid. Misschien zijn het precies die mensen die zowel ontevreden zijn met hun lichaam én perfectionistisch zijn, die gevoeliger zijn om hun perfectionisme (i.e., stellen van hoge standaarden) in te zetten om meer tevredenheid met hun lichaam te verkrijgen, en dit door middel van extreme maatregelen, zoals eetstoornissymptomen [bvb, extreem diëten, controle uitvoeren over het eetpatroon, eetbuien (wanneer de controle niet volgehouden kan worden), compenserende strategieën, overdreven belang hechten aan lichaamsvormen en –gewicht]...


Om dit te onderzoeken deelden we vrouwelijke universiteitsstudenten op in 2 groepen. Aan de eerste groep vroegen we om gedurende de loop van 1 dag hoge standaarden na te streven (= perfectionistische conditie); aan de andere groep vroegen we om een relaxte dag te hebben en zo weinig mogelijk inspanningen te doen (= niet-perfectionistische conditie). Wat bleek nu na deze dag? Het bleek dat de studentes die een hele dag perfectionistisch waren geweest een klein beetje meer eetstoornissymptomen vertoonden dan de groep die we gevraagd hadden om helemaal niet perfectionistisch te zijn. Het meest interessant was echter dat het voor die studentes waren die gevraagd werden om perfectionistisch te zijn én die vooraf ook al meer ontevreden waren over hun lichaam die veel meer eetstoornissymptomen hadden tegenover de andere groep.


Hieruit kunnen we dus afleiden dat het vooral de combinatie is van lichaamsontevredenheid en perfectionisme die iemand kwetsbaar maakt om eetstoornissymptomen te hebben. We moeten dus oog hebben voor die jongeren die beide kenmerken vertonen, omdat zij een zeer kwetsbare groep zijn om misschien eetpathologie te ontwikkelen. Bovendien toont dit aan dat preventieprojecten voor eetstoornissen zich best kunnen focussen op hoe we perfectionisme én lichaamsontevredenheid bij jongeren kunnen reduceren.

 

 

Brenning, K., Soenens, B., Van Petegem, S., & Vansteenkiste, M. (2015). Perceived Maternal Autonomy-support and Early Adolescent Emotion Regulation: A longitudinal Study. Review of Social Development 02/2015.

 

Doorheen de kindertijd en tijdens de adolescentie worden jongeren meer en meer zelfstandig op het vlak van het reguleren van hun emoties. Gedurende deze ontwikkeling spelen ouders een belangrijke rol in de vormgeving van adaptieve of eerder maladaptieve emotieregulatie strategieën. Op basis van voorgaand onderzoek blijkt dat ouders hun kinderen op verschillende manieren kunnen beïnvloeden. Ouders kunnen bijvoorbeeld als rolmodel functioneren of kunnen hun adolescenten advies geven over hoe ze in specifieke situaties met bepaalde emoties kunnen omgaan. Naast deze eerder directe manieren van ouderlijke invloed op de emotieregulatie vaardigheden van het kind, werd gesteld dat meer de algemene opvoedingsstijl van ouders tevens een belangrijke factor is. Autonomie-ondersteuning is een belangrijke algemene opvoedingsdimensie die nog niet systematisch werd onderzocht in relatie tot emotieregulatie.


In het huidige longitudinaal onderzoek gingen we de rol na van ouderlijke autonomie-ondersteuning (zoals waargenomen door de adolescent zelf bij zijn/haar moeder) in de ontwikkeling van emotieregulatie vaardigheden. Voor het in kaart brengen van emotieregulatie strategieën bij jongeren maken we een onderscheid tussen drie specifieke dimensies: emotionele integratie, emotionele suppressie en emotionele disregulatie. Emotionele integratie is een adaptieve emotieregulatie strategie waarbij men een gezonde en open houding heeft tegenover emoties en waarbij emoties ten volle worden geëxploreerd (bvb. door het praten over negatieve emoties). Emotionele suppressie is een eerder maladaptieve manier van emotieregulatie waarbij emoties worden vermeden of geminimaliseerd (bvb. ontkenning). Emotionele disregulatie, tot slot, is een maladaptieve emotieregulatie strategie met een extreem sterke focus op negatieve gevoelens waardoor men volledig in beslag wordt genomen door deze emoties (bvb. ruminatie).


Op basis van een longitudinale bevraging (tijdsinterval 1 jaar) bij 311 adolescenten blijkt dat de waargenomen mate van autonomie-ondersteuning een stijging voorspelt op het vlak van emotionele integratie en een daling voorspelt op het vlak van emotionele suppressie. Emotionele disregulatie daarentegen voorspelt een daling in autonomie-ondersteuning. De stijging van emotionele integratie is op zijn beurt voorspellend voor een stijging op het vlak van zelfwaarde, terwijl de daling in emotionele suppressie voorspellend is voor een daling in depressieve symptomen.

 

Samengevat leren de resultaten ons dat de ervaren autonomie-ondersteuning bij adolescenten door hun moeder samenhangt met de ontwikkeling van meer adaptieve emotieregulatie vaardigheden, en daarbij aansluitend met meer psychologisch welbevinden. Deze studie zet het belang van de opvoedingsvaardigheid 'autonomie-ondersteuning' voor emotieregulatie vaardigheden bij jongeren in de kijker.

Soenens, B., Vansteenkiste, M. & Van Petegem,  S.(2014). Child Development Perspectives 12/2014.

 

De Zelf-Determinatie Theorie (ZDT) doet op het eerste zicht zeer sterke, tot zelfs simplistische, uitspraken over opvoeding. De theorie gaat ervan uit dat alle mensen, ongeacht hun leeftijd, geslacht, cultuur, en persoonlijkheid, een fundamentele nood aan autonomie hebben. Wanneer deze nood aan autonomie bevredigd wordt ervaren mensen een gevoel van psychologische vrijheid: ze hebben het gevoel dat ze de dingen doen die ze echt willen en dat ze eigenaar zijn van hun keuzes en gedragingen. Wanneer deze nood gefrustreerd wordt hebben mensen het gevoel dat ze onder druk staan en verplicht worden om dingen te doen tegen hun zin. Samen met twee andere psychologische noden (de nood aan verbondenheid en de nood aan competentie) is de nood aan autonomie volgens de theorie een onmisbaar ingrediënt voor groei, positieve ontwikkeling, en welzijn. Volgens de ZDT kunnen ouders de ontwikkeling van het kind bevorderen door in te spelen op de nood aan autonomie.


Een autonomieondersteunende stijl houdt in dat ouders vertrekken vanuit het perspectief van het kind, de gevoelens en gedachten van het kind erkennen, waar mogelijk zinvolle keuzes aanbieden, en bij het invoeren van een regel een voor het kind relevante uitleg geven over het waarom van deze regel. Deze stijl kan gecontrasteerd worden met een controlerende stijl, waarbij ouders druk zetten, bijvoorbeeld door in te spelen op schuld- en schaamtegevoelens of door te dreigen met sancties en het wegnemen van privileges. Omdat de autonomieondersteunende en de controlerende stijl beiden inspelen op de nood aan autonomie zouden de effecten van deze opvoedingsstijl grotendeels universeel zijn: terwijl een autonomieondersteunende stijl de psychosociale aanpassing van alle kinderen zou bevorderen zou een controlerende stijl voor alle kinderen kwetsbaarheid met zich meebrengen en ultiem misschien zelfs uitmonden in psychopathologie.

 

Deze sterke uitspraken over de universele rol van opvoeding in de ontwikkeling van kinderen contrasteren fel met andere modellen in de ontwikkelingspsychologie en in de orthopedagogie. In deze andere modellen wordt een meer relativerende kijk op opvoeding verdedigd. In verregaande vorm houdt deze relativerende kijk in dat men weinig zinvols kan zeggen over wat nu een gewenste opvoedingsstijl is. De effecten van een opvoedingsstijl zouden immers steeds afhankelijk zijn van een lange lijst factoren, waarvan de culturele achtergrond van gezinnen en de persoonlijkheid van het kind de vaakst vernoemde zijn.


Zo zou men kunnen argumenteren dat een autonomieondersteunende opvoeding misschien werkzaam is in Westerse culturen en hoogopgeleide milieus maar minder (of zelfs contraproductief) in meer collectivistische culturen en lagere sociaal-economische klassen. Of men zou kunnen argumenteren dat een controlerende stijl misschien wel wenselijk is bij kinderen met een moeilijk temperament (voor wie de autonomieondersteunende aanpak te zacht zou zijn). Deze relativerende kijk op opvoeding zien we niet enkel in de academische literatuur, maar ook in de populair-wetenschappelijke literatuur, waar in toenemende mate wordt gepleit voor het overboord gooien van opvoedingsadvies en voor een terugkeer naar het buikgevoel van ouders.
Met dit buikgevoel wordt dan bedoeld dat ouders, afhankelijk van de situatie en hun persoonlijke voorkeur, soms eens zo kunnen reageren en soms eens anders. Soms voelt autonomieondersteuning goed aan, en soms voelt controle best aan.

 

In deze paper argumenteren we dat relativerende modellen over opvoeding vaak te ver gaan, en onterecht geen spaander heel laten van onderzoek en theorievorming over opvoeding. Men dreigt het kind met het badwater weg te gooien. Om dit te vermijden verduidelijken we dat er binnen de ZDT wel degelijk ruimte is voor individuele verschillen in de effecten van opvoeding, maar dat er tegelijkertijd grenzen zijn aan deze individuele verschillen (waardoor we wel degelijk nog steeds algemene uitspraken over opvoeding kunnen doen). Meer bepaald bespreken we twee manieren waarop individuele verschillen in culturele achtergrond of persoonlijkheid een rol kunnen spelen.

 

Ten eerste kunnen individuele verschillen voor een deel bepalen hoe ouderlijk gedrag wordt ervaren en geïnterpreteerd. Het aanbieden van keuze zal misschien minder tot een subjectief gevoel van keuzevrijheid (en dus bevrediging van de nood aan autonomie) leiden in een collectivistische cultuur dan in een individualistische cultuur.
Ouderlijke schuld-inductie zal misschien scherper worden aangevoeld als ouderlijke druk (en dus als frustratie van de nood aan autonomie) door een perfectionistische adolescent. Essentieel is echter dat die uiteindelijke subjectieve ervaringen van bevrediging (dan wel
frustratie) van de nood aan autonomie voor alle kinderen grotendeels dezelfde effecten zullen hebben. Ongeacht hun culturele achtergrond of persoonlijkheid zullen kinderen baat hebben bij subjectieve ervaringen van autonomie en lijden onder subjectieve ervaringen van druk en verplichting, een stelling die in toenemende mate in onderzoek wordt bevestigd.

 

Ten tweede kunnen kinderen verschillen in de manier waarop ze omgaan met frustratie van hun nood aan autonomie. Terwijl impulsieve kinderen bijvoorbeeld sneller verzet zullen aantekenen tegen hun ouders zullen verlegen en teruggetrokken kinderen eerder slaafse gehoorzaamheid vertonen. Deze verschillende stijlen van coping met ouderlijke controle kunnen zich dan manifesteren in verschillende ontwikkelingsproblemen, waarbij verzet eerder met externaliserende problemen (zoals agressie) kan samenhangen en slaafse gehoorzaamheid eerder met internaliserende problemen (zoals angst en depressie) kan samenhangen. Afhankelijk van de persoonlijkheid van het kind kunnen de gevolgen van ouderlijke controle dus een andere vorm aannemen. Dit betekent echter niet dat sommige kinderen baat zouden hebben bij een controlerende opvoedingsstijl: hoewel de verpakking anders kan zijn naargelang de persoonlijkheid van het kind creëert ouderlijke controle bij alle kinderen een kwetsbaarheid.

 

Samengevat argumenteren we dat het opvoedgedrag van ouders (wat ouders zeggen en doen) zich niet bij alle kinderen in dezelfde mate vertaalt in subjectieve ervaringen van autonomie. Kinderen verschillen ook in de stijl die ze hanteren om om te gaan met ouderlijke controle en frustratie van de nood aan autonomie. Tegelijk behoeden we ons voor een verregaand relativisme tegenover opvoedingsprocessen: we houden vast aan de stelling dat de subjectieve ervaring van autonomie uiteindelijk essentieel is voor de groei en ontwikkeling van alle kinderen, en dus universeel belangrijk is.

Deze zomer ruilde ik voor drie maanden mijn bureau aan de Universiteit Gent in voor een bureau aan de andere kant van de wereld – gedurende die periode verbleef ik immers aan Griffith University (Gold Coast, Australia) om samen te werken met de onderzoeksgroep van Melanie Zimmer-Gembeck. Wat een heel erg mooie en verrijkende ervaring was, en wel om verschillende redenen:


Op theoretisch vlak was het heel erg verfrissend. Na een zestal jaar werken binnen eenzelfde onderzoeksgroep, was het leuk en uitdagend om van ideeën te kunnen wisselen met mensen die met een andere bril kijken naar bepaalde psychologische processen. Het daagt je bestaande manier van denken uit, geeft je nieuwe inzichten, en je kan zelf ook mensen inspireren.


Op methodologisch vlak was het ook een leerrijke ervaring. De universiteit kende heel wat faciliteiten om fancy onderzoek te doen (observationeel, klinisch, randomized controlled trials, etc.), waarmee ik heb kunnen kennismaken. Zo heb ik bijvoorbeeld kunnen meedraaien in lopend observationeel onderzoek naar gedragsregulatie bij jonge kinderen die at-risk zijn voor mishandeling.


Verder was het ook interessant om te kunnen proeven van een andere werkcultuur, en om te zien hoe er ook op andere manieren kan (samen) gewerkt worden. Wekelijks organiseerden de PhD studenten daar bv. een writing group: een voormiddag toegewijd schrijven, met daaraan gekoppeld het uitwisselen van ervaringen en tips. Mijn nieuwe collega's ontvingen me gelukkig ook met open armen – ik voelde me er snel thuis en vond er vlot m'n draai, zowel aan het univ als aan de Gold Coast in het algemeen.


Het was ook heel zinvol naar toekomstige samenwerkingen toe. Je kan pas goed en wel nieuwe samenwerkingen opzetten als je iemand persoonlijk ontmoet hebt en ermee van gedachten hebt kunnen wisselen.


De kennismaking met een andere cultuur. Australië is natuurlijk een Westers land, dus de verschillen zijn niet fundamenteel, zeker niet op het eerste zicht. Maar het leven is er zoveel zachter, en de mensen zoveel (oprecht) vriendelijker. "No worries": de Belgen zouden het beter ook wat meer zeggen.


Het enige nadeel van mijn verblijf: de terugkeer, die er veel te snel was... De tijd leek voorbij te vliegen. Naar ons gevoel hebben we veel zaken weten te verwezenlijken op de relatief korte tijdsspanne. Maar het had gerust wat langer mogen duren...

Verstuyf Joke, Van Petegem Stijn, Vansteenkiste Maarten, Soenens Bart en Boone Liesbet

Artikel gepubliceerd in Journal of Youth and Adolescence. Doi: 10.1007/s10964-013-9949-x

 

Dat het huidige schoonheidsideaal onrealistisch is, wisten we al langer. Meisjes worden gestimuleerd om er zo dun mogelijk uit te zien, terwijl jongens aangemoedigd worden om een gespierd, breed en strak lichaam na te streven (Cafri et al., 2005; Slater, Tiggemann, Hawkins, & Werchon, 2012).

 

Hoewel de verspreiding van dit schoonheidsideaal een oorzaak is van toenames in lichaamsontevredenheid en verstoord eetgedrag (Groesz, Levine, & Murnen, 2002), blijkt niet iedereen even vatbaar te zijn voor de negatieve gevolgen van het schoonheidsideaal. In het bijzonder jongeren die het schoonheidsideaal persoonlijk overnemen, blijken kwetsbaar te zijn om lichaamsontevredenheid en verstoord eetgedrag te ontwikkelen (Thompson & Stice, 2001). Waarom gaan sommige jongeren dit ideaal overnemen terwijl anderen er tegen bestand blijven? In deze studie wilden we nagaan of het type identiteitsontwikkeling hier een rol in kan spelen.

 

Een belangrijke taak in de ontwikkeling van jongeren is het opbouwen van een identiteit (Erikson, 1968). Wat voor persoon willen ze zijn? Wat vinden ze belangrijk in het leven? Welke doelen en dromen willen ze nastreven? Hoe ziet hun ideale toekomst eruit? Uit onderzoek blijken er verschillende stijlen te zijn waarop jongeren deze vragen trachten te beantwoorden (Berzonsky, 1990). Sommige jongeren gaan actief op zoek naar informatie en dagen – soms tot ergernis toe- maatschappelijke visies sterk uit. Andere jongeren gaan zich daarentegen sterk richten op de mening van belangrijke personen in hun omgeving. Wie ze willen zijn is dan vooral afhankelijk van wat hun ouders, familie en/of vrienden van hen verlangen. Ten slotte zijn er jongeren die liefst ver weg blijven van deze vragen en geen antwoord zoeken op de vraag wie ze willen zijn. In deze studie wilden we nagaan of deze drie identiteitsstijlen een invloed hebben op de mate waarin jongeren het schoonheidsideaal over tijd gaan overnemen.

 

Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden vroegen we jongeren uit het eerste tot en met vierde middelbaar om enkele vragenlijsten in te vullen, waarin o.a. gepeild werd naar de identiteitsstijl en de mate waarin ze het schoonheidsideaal persoonlijk onderschreven en dieetgedrag. In deze fase namen 418 jongeren deel (12-17 jaar, gemiddelde leeftijd =13.58, 45.7% jongens). Vervolgens werd na 1 en 2 jaar gevraagd om opnieuw de vragenlijsten in te vullen. Ongeveer de helft van de jongeren  vulde de vragenlijst opnieuw in. Vervolgens gingen we na of we verbanden vonden tussen de identiteitsstijl bij het begin van de studie en veranderingen na één en twee jaar in het persoonlijk onderschrijven van het schoonheidsideaal en dieetgedrag.

 

Uit de resultaten bleken jongeren die actief op zoek gingen naar informatie en hierbij de visie van hun omgeving wel eens in vraag durfden te stellen, na verloop van tijd het schoonheidsideaal minder sterk te onderschrijven. Jongeren die daarentegen sterk berustten op de mening van anderen, bleken over tijd heen het schoonheidsideaal in toenemende mate over te nemen. Het vermijden van het ontwikkelen van een eigen identiteit bleek geen verband te houden met veranderingen over tijd heen. Ten slotte werd ook gevonden dat jongeren die het schoonheidsideaal sterker onderschreven, over tijd heen vaker gingen diëten om iets aan hun uiterlijk te veranderen.

 

Jongeren die actief op zoek gaan naar informatie en een kritische blik vertonen, blijken dus minder vatbaar om het schoonheidsideaal over te nemen, terwijl jongeren die de mening van anderen eerder klakkeloos overnemen het schoonheidsideaal net meer gaan onderschrijven. Wat kunnen we hieruit leren? De belangrijkste implicatie is dat het loont om jongeren te ondersteunen in hun zoektocht naar een eigen identiteit. Niet alleen ouders, maar ook leerkrachten kunnen dit proces mee ondersteunen. Dit kan door nieuwsgierig te zijn naar de leefwereld van jongeren, vragen te stellen naar wat ze belangrijk vinden en door hun eigen initiatieven te ondersteunen. Jongeren kunnen uitgedaagd worden om met een kritische blik te leren kijken naar hun omgeving en hierbij ook het heersende schoonheidsideaal in vraag te leren stellen.

 

Uit voorgaand onderzoek blijken korte interventies, waarbij jongeren bijv. gevraagd worden om tegen het schoonheidsideaal te argumenteren (Stice, Mazotti, Weibel, & Argas, 2000) of waarin ze een korte oefening maken rond wat ze echt belangrijk vinden in het leven (Assor, 2012) reeds een positief effect hebben op hun ontwikkeling. Door dergelijke interventies en ondersteunende houding gaan jongeren een zogenaamd ‘intern kompas’ (Assor, 2012) ontwikkelen, waarbij ze vanuit hun persoonlijke waarden en doelen gaan reageren op alledaagse situaties eerder dan vanuit sociale druk dingen te doen waar ze eigenlijk niet achter staan. 

Brenning, K., Soenens, B., Braet, C., & Bal, S. (2012). The Role of Parenting and Mother-Adolescent Attachment in the Intergenerational Similarity of Internalizing Symptoms. Journal of Youth and Adolescence, 41, 802-816. doi: 10.1007/s10964-011-9740-

 

 

Ouders zwoegen vaak met de vraag hoe ze de band met hun kinderen zo goed mogelijk kunnen onderhouden. Dit is allermeest het geval bij ouders van jongeren die een psychologische problematiek ontwikkelen. De meest voor de hand liggende reactie die vele ouders natuurlijkerwijs stellen is om hun kind te verwennen met liefde en geborgenheid. Deze gedragingen van ouders kunnen we enkel waarderen en ondersteunen. Het bieden van warmte, liefde en zorg aan je kind kan er inderdaad voor zorgen dat jullie band wordt versterkt. Het geeft kinderen het gevoel een vangnet te hebben om op terug te vallen wanneer ze worden geconfronteerd met moeilijkheden. Warmte, liefde en zorg kan er op zijn beurt voor zorgen dat de kans op de ontwikkeling van psychologische problemen afneemt. De gedachte van ouders te hebben die jou graag zien en over een vangnet te beschikken waarop je elk moment kan terugvallen kan het zelfvertrouwen van een kind kracht bijzetten.

 

 

Toch zien we vaak ouders met de vraag waarom hun kind, omringd door zoveel liefde, toch met depressieve gedachten kampt. Er zijn natuurlijk tal van factoren die hierbij een rol kunnen spelen.

Wat opvoeding betreft wordt één factor wel vaak vergeten, namelijk het bieden van autonomie. Autonomie ondersteuning is een opvoedingsstrategie waar vele ouders van terugdeinzen, zeker in het geval van psychologische moeilijkheden bij hun kind. Wanneer ons kind wordt geconfronteerd met moeilijkheden is er steeds de natuurlijke eerste reactie om het kind stevig tegen je aan te houden. Hoewel deze vaak instinctieve reactie van ouders niet ondergewaardeerd mag worden, wordt een tweede factor echter vaak vergeten. Kinderen hebben terzelfdertijd namelijk nood aan voldoende keuzevrijheid en de kans om hun eigen inbreng te doen, ook (en misschien zelfs des te meer) in het geval van psychologische moeilijkheden bij het kind. Wanneer je als ouder alles van je kind overneemt, geef je hen onbewust de boodschap dat ook jij ervan overtuigd bent dat je kind het niet meer aankan. In tegenstelling tot deze hypothese, kan het bieden van een zekere vrijheid de boodschap geven aan je kind dat jij als ouder er wel nog in gelooft dat jouw kind voldoende capaciteiten heeft om bepaalde zaken te doorstaan. Wanneer je kind erin slaagt om zich deze boodschap terug eigen te  maken en ook zelf terug gaat geloven in zijn eigen kunnen, is dit een belangrijke stap in de goede richting naar psychologisch welbevinden. Een mix van warmte, betrokkenheid en autonomie is dus de boodschap.

 

 

De hierboven vermelde denkwijze vond bevestiging in recent onderzoek dat werd gevoerd bij zowel jongeren die in behandeling zijn voor psychologische problemen als jongeren uit de algemene populatie (Brenning, Soenens, Braet, & Bal, 2012). Samengevat toont de studie aan dat zowel responsiviteit (warmte, liefde en zorg) als autonomie elk afzonderlijk van elkaar een rol spelen in de ontwikkeling van een goede band tussen ouder en kind. Bovendien lijken beide opvoedingsaspecten afzonderlijk te fungeren als beschermende factoren bij de ontwikkeling van psychologische moeilijkheden. Het bieden van ouderlijke autonomie ondersteuning kan het zelfwaarde gevoel van het kind ten goede komen. “Mijn mama/papa gelooft dat ik het kan, dus dat zal dan wel zo zijn”. Jouw ouderlijk vertrouwen in je kind voedt als het ware zijn/haar zelfvertrouwen. Deze gedachtegang is een heel interessant gegeven zowel bij jonge kinderen als bij adolescenten, zowel bij kinderen met depressieve klachten, kinderen met externaliserende klachten als bij kinderen zonder psychologische moeilijkheden. De gedachte kan je als ouder steunen om je kind op een positieve, gemotiveerde manier de nodige vrijheid (lees vertrouwen) te geven.

 

 

Van den Berghe, L., Vansteenkiste, M., Cardon, G., Kirk, D., & Haerens, L.

 

Heel wat motivationele theorieën hebben ons de voorbije jaren inzicht verschaft in verschillende soorten motivatie die leerlingen hebben voor de les lichamelijke opvoeding (LO). De Zelf-Determinatie Theorie (ZDT) is één van de theorieën die enorm steeg in populariteit bij onderzoek naar motivatie voor de les LO.

 

De doelen van deze review paper waren om een kritisch overzicht te brengen van deze gepubliceerde studies, om hiaten in de literatuur te ontdekken en om suggesties te formuleren voor toekomstig onderzoek.

 

De analyse van 74 ZDT-gebaseerde onderzoekspapers in de context van de LO zorgden voor enkele aanbevelingen.

 

Ten eerste zou toekomstig onderzoek zich kunnen richten op alle drie de dimensies van motiverend leerkrachtgedrag. Niet enkel autonomie-ondersteuning, maar ook het brengen van structuur en verbondenheid zijn van belang wanneer we leerlingen optimaal willen motiveren.  Ten tweede lijkt het noodzakelijk dat er meer interventiestudies en experimentele studies gevoerd worden, zodat de gevonden verbanden een richting van causaliteit kunnen aangeven.  Ten derde is er meer inzicht nodig in de antecedenten van motiverend leerkrachtgedrag; wat leerkrachten drijft tot motiverend of demotiverend gedrag in de klas blijft een onderzoeksvraag die tot nu toe minder aandacht kreeg. Ten vierde zou het interessant zijn als men meer metingen van leerresultaten zou opnemen in de studies die relevant zijn voor de praktijk (zoals hoe de soort motivatie bij leerlingen gerelateerd is aan motorisch leren, inzichtelijk leren en sociaal leren) en ten slotte mag men zeker ook niet vergeten om contextspecifieke factoren mee op te nemen in de studies (zoals klasgrootte, beschikbare accommodatie, leeftijd van leerlingen, geslacht, enz.).

 

In de review wordt een betere integratie van pedagogische en psychologische kennis aanbevolen voor toekomstig onderzoek, zodat de resultaten en bevindingen van deze studies nog meer kunnen bijdragen aan de praktijk.

Evie Kins, Jan De Mol, & Wim Beyers in Journal of Adolescent Research (2014), 29, 89-119.

 

Terwijl de gemiddelde twintiger een aantal decennia geleden dacht aan zich settelen en dit steevast over een vrij korte periode deed— een vaste baan, trouwen en kinderen—ziet deze levensfase er in Westerse samenlevingen vandaag doorgaans anders uit. De transitie naar volwassenheid wordt almaar langer uitgesteld.

 

 

Eén van de belangrijkste redenen voor dit uitstelgedrag is dat jongeren tegenwoordig langer studeren en daardoor ook langer financieel afhankelijk blijven van hun ouders. Er heerst bovendien een vrijer klimaat wat betreft relatievorming, waardoor jongeren zich niet gehaast voelen om zich te binden aan één vaste partner, laat staan trouwen en kinderen krijgen.

 

Een andere opvallende evolutie die samenhangt met dit uitstelgedrag is dat jongeren vandaag ook langer in het ouderlijke nest blijven wonen of terugkeren na een periode van zelfstandigheid. Nochtans zou het verlaten van het ouderlijke nest een belangrijke en zeer tastbare stap zijn naar volwassenheid, die bovendien een duidelijke verandering in de ouder-kind relatie teweeg brengt.


Om een beter zicht te krijgen op de beleving van jongvolwassenen die al dan niet nog bij hun ouder(s) inwonen, werden in deze studie interviews afgenomen bij twintig jongeren van 24/25 jaar oud. Deze jongeren bevonden zich in verschillende types woonsituaties (i.e., bij de ouders, semi-onafhankelijk zoals bijv. op kot en volledig onafhankelijk). We focusten hierbij specifiek op hoe ze (denken) het moment van vertrek (te) ervaren, de redenen die ze hebben om al dan niet bij hun ouders te blijven wonen en de relatie die ze hebben met hun ouders.

 

De resultaten uit dit onderzoek toonden aan dat deze uitgestelde fase naar volwassenheid, die zich typisch uitstrekt over de twintiger jaren, een bijzonder complexe periode is. Gevoelens van twijfel en ambivalentie lieten zich voelen in elk van de interviews. Dit illustreerde zich het best in de relatie met hun ouders. Enerzijds hebben jongeren in deze levensfase namelijk een enorme drang naar zelfstandigheid en willen ze hun eigen boontjes doppen, maar anderzijds blijft de relatie met hun ouders extreem belangrijk en vragen ze hen ook actief om hulp en advies. Die ambivalentie uitte zich ook in de beleving rond het eigenlijke vertrek uit het ouderlijke huis. Dit proces, dat vandaag trouwens vaak gradueler verloopt dan vroeger door bijvoorbeeld eerst op kot te gaan, gaat gepaard met gevoelens van positivisme en optimisme. Anderzijds rapporteerde men het uit-huis-gaan ook als een stressvolle en emotionele gebeurtenis, vaak met de nodige bezorgdheid rond het 'achterlaten' van de ouder(s).

 

Een laatste bevinding was dat financiële factoren inderdaad een erg belangrijke invloed hebben op de keuze om al dan niet bij je ouders te blijven wonen, maar dat dit lang niet de enige reden is. Zo geven sommige jongvolwassenen maar al te graag de vrijheid van het alleen wonen op om nog wat langer te kunnen genieten van het comfort van het ouderlijke huis en het gezelschap. Anderzijds ervaart men tijdens deze levensfase ook wel sociale druk om het nest uiteindelijk te verlaten. Bepaalde veranderingen, zoals het vinden van een job, het beëindigen van een relatie, etc., kunnen er eveneens voor zorgen dat jongvolwassenen abrupt de knoop doorhakken om van woonsituatie te veranderen.


We kunnen besluiten dat de twintiger jaren vandaag een complexe levensperiode karakteriseren die zowel jongvolwassenen als hun ouders voor heel wat uitdagingen stelt. Door de langere transitie naar volwassenheid krijgen ouders ook een langere opvoedingsrol toebedeeld en blijven jongvolwassenen, ondanks hun leeftijd, langer in die ondergeschikte kindpositie geplaatst. Dit brengt heel wat vragen met zich mee betreffende het zoeken naar een optimale balans tussen afstand en nabijheid in de ouder-kind-relatie. In de praktijk dienen we ons bewust te zijn van het feit dat het proces van separatie-individuatie ofwel het loskomen van de ouders vandaag later lijkt plaats vinden dan vroeger, toen dit ontwikkelingsproces typisch in de adolescentie gesitueerd werd. Concrete informatie en advies naar gezinnen met jongvolwassenen kinderen is nodig.

Onderzoek door Jolene van der Kaap-Deeder, Maarten Vansteenkiste, Bart Soenens, Joke Verstuyf, Liesbet Boone, & Jos Smets


Motivatie speelt een belangrijke rol tijdens therapie. Het is dan niet zo zeer de hoeveelheid die telt, maar meer de kwaliteit ervan. Immers, een patiënte die iets wil doen aan haar eetprobleem omdat ze het gevoel heeft dat haar problematiek haar andere levensdoelen in de weg staat zal eerder echt veranderen dan een patiënte die alleen maar in therapie gaat om van het gezeur van haar ouders af te zijn. Het 'waarom' achter het willen veranderen is dus ook belangrijk. Eerdere onderzoeken hebben inderdaad aangetoond dat motivatie die meer vanuit de persoon zelf komt leidt tot meer therapie-succes.


In een recent onderzoek zijn we echter een stap verder gegaan door te kijken welke factoren nu precies zo'n optimale vorm van motivatie in de hand werken. Dus, waarom wil één patiënte wel echt zelf veranderen terwijl een andere patiënte dit niet echt zelf wil? Dit hebben we bekeken bij 84 patiënten met een eetstoornis (vooral anorexia nervosa of boulimia nervosa). We hebben hierbij gekeken naar welke psychologische 'ingrediënten' noodzakelijk zijn voor zo'n goede vorm van motivatie. Gebaseerd op de Zelf-Determinatie Theorie onderzochten we de mate waarin drie psychologische basisbehoeften bevredigd waren, namelijk de behoefte aan autonomie (ervaren van psychologische vrijheid en keuze), competentie (ervaren van bekwaamheid en succes op persoonlijk belangrijke gebieden) en relationele verbondenheid (ervaren van warme relaties met anderen). Eerder onderzoek heeft al aangetoond dat deze drie behoeftes motivatie op andere domeinen (bijv., sport) positief beïnvloeden.

 

Daarnaast keken we naar de rol van drie belangrijke sociale figuren: de ouders, de hulpverleners en de medepatiënten. We zagen hierbij dat wanneer de sociale context meer autonomie-ondersteunend was, door bijvoorbeeld keuze aan te bieden, dat de patiënten meer behoeftebevrediging rapporteerden. In andere woorden, wanneer een individu het gevoel had psychologisch vrij te zijn, dan rapporteerde zij ook dat ze zich meer autonoom, competent en verbonden voelde. Deze drie ingrediënten droegen dan weer bij aan meer optimale, interne motivatie. Ook zagen we dat patiënten met anorexia nervosa die zo'n optimale motivatie vertoonden een grotere gewichtstoename hadden gedurende therapie. Kortom, de sociale context speelt een belangrijke rol bij het aanwakkeren/in stand houden van interne motivatie.

1. Allereerst viel het op dat de positieve psychologie zijn intrede ook gemaakt heeft binnen psychiatrie (positieve psychiatrie genaamd). Ze stellen hierbij dat niet alleen de psychiatrische problemen van belang zijn binnen therapie, maar dat er ook gekeken dient te worden naar de sterktes en de persoonlijke doelen van de patiënt. De nadruk op dit positieve aspect kwam bijvoorbeeld naar voren binnen een onderzoek bij depressieve patiënten dat gepresenteerd werd. Voorheen lag de nadruk vooral op de somberheid die ervaren werd door deze patiënten. Dit onderzoek liet zien dat het gebrek aan positieve ervaringen/gevoelens bij deze populatie ook hun depressie in stand houdt en dat er dus een noodzaak is om deze positieve gevoelens meer te bevorderen.


2. Ik heb een presentatie gegeven over de ZDT. Ik had het idee dat, alhoewel dit een onbekende theorie voor het publiek was, dat er zeker interesse voor was. Interessant hierbij was dat ik zag dat mensen zich vooral tot één van de behoeftes aangetrokken voelden. Zo kwam er na mijn presentatie een vrouw naar me toe die werkte binnen de kind- en jeugdpsychiatrie die me vertelde dat ze dacht dat competentie toch de ultieme behoefte was, terwijl tijdens mijn presentatie een aantal toehoorders meer interesse toonde in de behoefte aan autonomie. Dit laat denk ik zien dat de behoeftes toch iets zijn wat hulpverleners ook direct naar voren zien komen bij hun patiënten. Een andere opvallende vraag die terugkwam was: 'Wat doen we met patiënten die niet in staat zijn om beslissingen te nemen omwille van hun psychiatrische stoornis?'. Is bijvoorbeeld iemand met schizofrenie in staat om vrijwillig te beslissen om wel of niet in therapie te gaan? Goede maar moeilijke vragen dus.


3. Een ander meer praktisch punt wat me opgevallen is bij dit congres is het samenhorigheidsgevoel en het engagement. Zo was er elke dag een gezamenlijke sessie waarbij er niet alleen stilgestaan werd bij theoretische inzichten maar ook bij vragen zoals 'wat is de functie van psychiaters?' en 'wat speelt zich momenteel af in de politiek wat belangrijk is voor ons en hoe kunnen we er voor zorgen dat onze stem gehoord wordt?'.
Ook was er een zeer grappige presentatie van Mathieu Weggeman over 'Collectieve ambitie: individueel belang versus organisatiebelang' waarbij hij het had over werkgevers en werknemers. Hij zei het niet in ZDT-bewoordingen, maar het kwam er op neer dat werkgevers de autonomie en competentie van werknemers moeten bevorderen. Wanneer werkgevers dit niet doen, kan het fenomeen van 'meestribbelen' zich voordoen; een soort van passief verzet waarbij werkgevers wel doen wat van hen verwacht wordt maar niet op die manier zoals zou moeten. Ter illustratie, een werkgever die elke maand moet rapporteren over zijn vooruitgang kan zinnen uit eerdere rapporten willekeurig bijeenzetten zodat hij het toch maar weer gedaan heeft. Hij stelde dat het merendeel van de werknemers werk doet wat hen interesseert en waar zij goed in zijn. Deze groep behoeft dan ook geen strenge regels en kunnen 'vrijgelaten' worden zolang het duidelijk is wat er uiteindelijk van hen verwacht wordt. Dan is er nog een kleine groep die wel wilt maar het niet goed kan. Deze groep behoeft veel begeleiding in de vorm van bijvoorbeeld extra cursussen. Een andere laatste kleine groep bestaat uit werknemers die niet willen. Deze hebben veel regels nodig. Klinkt nu misschien wat droog, maar zijn presentatie was behoorlijk levendig . Zie hier één van zijn eerdere presentaties: http://www.youtube.com/watch?v=e7QbR1rcJgs.

Van den Berghe, Lynn, Soenens, Bart, Aelterman, Nathalie, Cardon, Greet, Tallir, Isabel B, Haerens, Leen.


Psychology of Sport and Exercise, 2014 (15(4), 407-417)


Onderzoek  nam een nadere blik op motivationele profielen bij LO-leerkrachten. Er zijn heel wat verschillende redenen waarom LO-leerkrachten zich inzetten voor hun job en waarom ze op een goede manier willen lesgeven en deze redenen kunnen gecontroleerd of autonoom van aard zijn. Gecontroleerde motivatie verwijst naar het ervaren van een bepaalde druk die zowel extern als intern kan opgelegd zijn. Een voorbeeld hiervan is wanneer je jezelf als leerkracht wilt bewijzen tegenover collega's en directie. Autonome motivatie verwijst naar het waarderen van het beroep, het belang ervan inzien en het ervaren van plezier tijdens het lesgeven. Gecontroleerde motivatie wordt begrepen als minder kwalitatief, terwijl autonome motivatie wel als kwalitatief goede motivatie wordt beschouwd.


Het doel van deze studie was om na te gaan op welke manier leerkrachten deze verschillende motieven combineren om zo motivationele profielen te identificeren. Vervolgens werd bekeken hoe leerkrachten gekenmerkt door een specifiek motivationeel profiel van elkaar verschillen in hun behoeftebevrediging die ze ervaren op het werk, in de mate waarin ze hun leerlingen tijdens de les motiveren en in de mate waarin ze gevoelens van burnout ervaren.


Een totaal van 201 Vlaamse LO-leerkrachten tekende in op een online vragenlijst die peilde naar hun motivatie om les te geven, behoeftebevrediging op het werk, motiverend lesgeefgedrag en gevoelens van burnout. Met behulp van clusteranalyses werden vier motivationele profielen geïdentificeerd. Deze vier profielen werden gekenmerkt door (1) een lage kwaliteit van motivatie (relatief hoog gecontroleerd gemotiveerd), (2) een lage kwantiteit aan motivatie (relatief laag autonoom en gecontroleerd gemotiveerd), (3) een hoge kwantiteit aan motivatie (relatief hoog autonoom en gecontroleerd gemotiveerd) en (4) een goede kwaliteit van motivatie (relatief hoog autonoom gemotiveerd).


Leerkrachten die vooral een sterke autonome motivatie hebben om les te geven (cluster 4, goede kwaliteit) toonden de meest optimale scores voor behoeftebevrediging en motiverend lesgeefgedrag, terwijl ze minder gevoelens van burnout rapporteerden dan de andere groepen. Deze groep werd gevolgd door leerkrachten die zowel sterk autonoom als sterk gecontroleerd gemotiveerd zijn (cluster 3, hoge kwantiteit). Leerkrachten uit cluster 1 (lage kwaliteit, vooral gecontroleerd gemotiveerde leerkrachten) toonden het minst gunstige patroon, zelfs wanneer ze vergeleken worden met leerkrachten uit cluster 2 die relatief laag scoorden op zowel autonome als gecontroleerde motivatie.


Wanneer LO-leerkrachten een specifiek motivationeel profiel vertonen om les te geven, dan uit zich dat ook in de mate van hun behoeftebevrediging op het werk en gevoelens van burnout. Het motivationeel profiel van leerkrachten is echter ook van belang voor de leerlingen, want het soort profiel hangt ook samen met de mate waarin leerkrachten motiverend zijn ten opzichte van hun leerlingen tijdens de les. De bevindingen van deze studie bieden een eerste indicatie dat autonome motivatie bij LO-leerkrachten een belangrijke factor is waar beleidsmakers en andere leidinggevenden rekening mee kunnen houden in het begeleiden van leerkrachten.

Recent onderzoek door Wim Beyers en zijn masterstudenten onderzocht of de opvoeding en waarden van de ouders en het seksuele gedrag en de waarden van de leeftijdgenoten, een invloed hebben op de seksuele ontwikkeling van jongeren. Concreet werd daarbij gekeken naar het al dan niet ervaring hebben met niet-genitale (vb. kussen, strelen, knuffelen) en genitale seks (vb. elkaar manueel bevredigen, geslachtsgemeenschap, orale seks), en de timing daarvan (vroeg, laat, gemiddeld). Gegevens werden verzameld bij in totaal 1411 jongeren tussen 12 en 20 jaar, jongens en meisjes, en uit verschillende opleidingsniveau's (ASO, TSO, BSO).

 

De directe invloed van ouders en leeftijdgenoten bleek slecht heel beperkt. Strikte controle door ouders voorspelde bijvoorbeeld een iets latere timing van de genitale seks, en als jongeren van hun leeftijdgenoten dachten dat ze al seks hadden, dan hadden ze ook zelf meer seksuele ervaring. Belangrijker waren interacties tussen de invloed van ouders en leeftijdgenoten. Die wezen er vooral op dat seksualiteit bij jongeren een erg persoonlijke zaak , waar ze vooral zelf over belissen, en waarbij ze weinig beïnvloed worden door ouders of leeftijdgenoten. Als ouders echter warm en ondersteunend zijn, zie je wel dat die invloed van leeftijdgenoten iets sterker werd. Ouders slagen er echter niet in om de stimulerende invloed van de leeftijdgenoten te bufferen.

 

Wil je meer weten? Klik dan door naar de presentatie die over dit onderzoek werd gehouden op het recentste congres van SRA (Society for Research on Adolescence), in Austin, TX.

In het masterproef onderzoek van Lynn Wabbes gingen we op zoek naar de mogelijk gevolgen van voorwaardelijk opvoeden door ouders op het welbevinden van jongeren tussen 10 en 16 jaar. En niet zomaar voorwaardelijk opvoeden, maar voorwaardelijke positieve aandacht (VPA), dat wil zeggen, je kind loven en prijzen als het zich gedraagt zoals jij wil, anders niet. 345 jongeren en hun ouders werden ondervraagd. En wat bleek? VPA voorspelde wel een licht hogere zelfwaarde bij jongeren, maar die zelfwaarde bleek wel heel voorwaardelijk te zijn, namelijk afhankelijk van je prestaties (jezelf enkel goed voelen als je goed presteert op school) of van vergelijking met leeftijdgenoten (je enkel goed voelen als je beter presteert dan je vrienden).

Verder bleek VPA door moeder en vader een minder goede omgang met emoties te voorspellen bij jongeren, ze gingen bijvoorbeeld meer hun emoties onderdrukken. Sterke VPA door moeders voorspeld ook meer testangst bij hun adolescente kinderen.

 

Tot slot toonden de resultaten ook aan dat veel VPA door zowel moeders als vaders vooral heel negatieve gevolgen had, als die moeders of vaders in het algemeen warm en ondersteunend waren. In dat geval lijkt het alsof kinderen door de plotse VPA van de ouders, en vooral het voorwaardelijke daarvan, helemaal uit hun lood geslagen worden. Ze begrijpen het gewoon niet. Goed opvoeden is dus niet alleen een kwestie van kwaliteit, maar ook van consistentie!

 

Wil je de details van dit onderzoek kennen? Klik dan door naar de poster die over dit onderzoek werd gepresenteerd op het laatste congres van SRA (Society for Research on Adolescence), in Austin, TX.

In de uitzending van Terzake op 28 november 2013 werd de zin van de lessen Lichamelijke Opvoeding op school in vraag gesteld. UGent-wetenschappers van de vakgroep Bewegings- en Sportwetenschappen en de vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie deden de voorbije jaren heel wat onderzoek waaruit blijkt dat lessen LO wel degelijk zinvol zijn, op voorwaarde dat leerkrachten de jongeren weten te stimuleren.

 

Specifiek bleek uit een bevraging bij meer dan 2.600 UGent-studenten bijvoorbeeld duidelijk dat leerlingen die meer uit volle goesting deelnemen aan de les LO veeleer dan uit "moetivatie", ook meer fysiek actief zijn en blijven op latere leeftijd. Positieve ervaringen tijdens de lessen LO zorgen er dus voor dat jongeren ook op latere leeftijd meer actief zijn. Motivatie voor LO speelt bovendien een onafhankelijke rol bovenop de motivatie om te sporten in de vrije tijd.


Wanneer jongeren tijdens de lessen LO echter een hoge mate van druk om te presteren hebben ervaren neemt hun 'goesting' om te bewegen en te sporten af. Een tekenend voorbeeld hiervan is de getuigenis van Steph Goossens over zijn traumatische ervaringen in de lessen LO in het Radio 1 programma 'Het bloed van onder de nagels', waarin hij beschrijft hoe hij voor de ganse klas “moest afgaan" omdat hij wist dat hij niet over de bok kon springen en dit toch onder het kritische oog van zijn leerkracht en leeftijdsgenoten 'moest' doen. Dergelijke ervaringen zijn uiteraard niet bevorderlijk voor de zin om te bewegen en te sporten.


Gelukkig blijkt uit recent doctoraatsonderzoek van Nathalie Aelterman dat vele leerkrachten er  in slagen om jongeren 'goesting' bij te brengen om te bewegen en te sporten. Ze leggen uit waarom bewegen en sporten belangrijk is voor de gezondheid, ze spelen in op de leefwereld van jongeren, ze bieden hulp waar gewenst, kiezen uitdagende en haalbare oefenstof en integreren keuze en fun-elementen in hun lessen. De voorbije twee jaar namen meer dan 100 enthousiaste leerkrachten LO deel aan de training 'Van MOETIVATIE naar GOESTING voor Lichamelijke Opvoeding: De leerkracht als motiverende coach', waarin in dialoog met leerkrachten motivationele strategieën aangereikt worden, die ze in hun lessen kunnen hanteren. De eerste resultaten van deze training blijken veelbelovend. Kortom, mits een degelijke opleiding en blijvende training kunnen leerkrachten LO wel degelijk het verschil maken, ten voordele van de betrokkenheid, het leerplezier en de activiteitsgraad van jongeren.

 

Voor meer informatie, zie ook Persberichten

 

Cedric Arijs, master in de Klinische Psychologie, deed een onderzoek voor zijn masterproef onder begeleiding van Prof. Wim Beyers, over de invloed van heavy-metal op het roekeloos gedrag van jongeren. De steekproef bestond uit adolescente metalfans (17- tot 19-jarigen) en een even grote groep personen die andere muziekgenres verkiezen. We maakten gebruik van twee sets muziek die de deelnemers moesten beluisteren tijdens een experiment. De helft kreeg gedurende twaalf minuten stevige metal te horen. De andere helft mocht even lang genieten van rustige popmuziek. Na het beluisteren van deze muziek speelden de deelnemers een computerspel waarbij risico’s nemen hen een mooi geldbedrag kon opleveren. Namen ze echter te grote risico’s dan konden ze hun verdiende centen even snel terug kwijt spelen. Deze computertaak, de Balloon Analogue Risk Task (BART), was in het verleden al gebruikt in wetenschappelijk onderzoek om roekeloos gedrag te onderzoeken.

Uit de resultaten bleek dat metalheads, net als niet-fans, geen persoonlijkheidsstructuur hebben die neigt naar een hogere nood aan sensaties. Net als voorgaand onderzoek vonden we wel dat personen die net metal hadden beluisterd, zowel fans als niet-fans, aangaven dat ze meer zin hadden om iets roekeloos te gaan doen. De personen die de rustige muziek hadden gehoord, hadden geen roekeloze houding. De hoofdvraag van het onderzoek was natuurlijk of dit ook samenhing met het effectief stellen van roekeloos gedrag. We vonden geen verschillen in gedrag tussen personen die net metal hadden beluisterd en zij die de rustige muziek te horen hadden gekregen, niet bij de metalfans en niet bij de niet-fans. De conclusie is dus dat wanneer jongeren een roekeloze houding ontwikkelen bij het beluisteren van heavy metal dit niet automatisch betekent dat er ook roekeloos gedrag zal volgen. Deze resultaten ondersteunen andere wetenschappelijke studies die vonden dat de overgang van houding naar feitelijk gedrag niet zo snel gemaakt wordt. Een simpel voorbeeld hiervan zijn rokers. Iedereen weet dat roken ongezond is, maar deze houding wordt echter niet zomaar omgezet in gedrag, namelijk stoppen met roken. Of je een houding omzet in gedrag hangt onder andere af van de mate waarin je zelfcontrole hebt en of dat gedrag past binnen je eigen normen en waarden. Dit zijn net twee zaken die sterk tot ontwikkeling komen in de adolescentie. De precieze rol van zelfcontrole willen we zeker nog onderzoeken. Voorlopig kunnen we in elk geval al besluiten dat schreeuwende metalheads niet noodzakelijk bijten.

 

Wil je meer weten, of de volledige masterproef van Cedric Arijs (2012) downloaden? Dat kan op de Scriptiebank.

Nieuwe media maken seksuele informatie veel toegankelijker voor jongeren, maar toch versnelt het internet hun ontluikende seksualiteit niet. Dat zegt master in de psychologie Karlien Lapierre (UGent). Voor haar masterproef, onder begeleiding van Prof. Wim Beyers, bevroeg Karlien Lapierre 419 jongeren van gemiddeld vijftien jaar, ongeveer evenveel jongens als meisjes. Er werd geen verband gevonden tussen de leeftijd bij de eerste seksuele ervaring en het internetgebruik van jongeren.

Wel bleek dat hoe meer niet-genitale seksuele ervaring jongeren hebben, zoals kussen, seksuele fantasieën en zelfbevrediging, hoe meer seksuele informatie ze op het internet opzoeken. Eenmaal jongeren genitale seksuele ervaring hebben, neemt die online zoektocht af. Internet lijkt vooral van belang in de eerste stappen van de seksuele ontwikkeling. Jongeren gebruiken internet om te verkennen, om bij te leren en om fantasieën te voeden, maar dit versnelt hun seksuele ontwikkeling niet. Het zijn vooral factoren als persoonskenmerken, leeftijd, geslacht en leeftijdsgenoten die een bepalende rol spelen in de seksuele ontwikkeling van jongeren.

 

Voor meer informatie en een download van de volledige masterproef, zie info op de Scriptiebank.